De heenreis   |   Sorong   |   Hollandia   |   De jungle   |   De terugreis   |   Het weerzien   |   Gastenboek   |   Contact|   Fotoalbums
       
  Weerzien met Nieuw-Guinea 

Eind november 2005 werd ik gebeld door Tom. We zijn boezemvrienden sinds we elkaar voor het eerst ontmoetten op 4 november 1958 toen we opkwamen in de Van Braam Houckgeest kazerne in Doorn. Samen volgden we de opleidingen, samen vlogen we naar Nieuw-Guinea, samen liepen we patrouilles door het regenwoud, liepen eindeloze wachten, samen vlogen we na bijna anderhalf jaar weer terug naar huis. Nu, na bijna 50 jaar hadden we het plan opgevat weer terug te gaan naar het land dat al die tijd nooit helemaal uit onze gedachten was geweest.

De tocht zou gaan: via Singapore naar Menado op Sulawesi. Vandaar naar Biak, vervolgens naar Hollandia, dan Sorong, en via Menado weer terug naar Singapore en Amsterdam.

Om 11.15 stegen we op met bestemming Singapore. Een rustige Visser van Biakprobleemloze vlucht van twaalf uur. Beetje kletsen, lezen en proberen wat te slapen. Vroeg in de ochtend om even over zes plaatselijke tijd landden we in Singapore. De zon ging net op boven de kokospalmen die het vliegveld omringen.Even de benen strekken en koffie drinken, en daar gingen we alweer de lucht in. Naar Menado op Sulawesi. We vlogen over Borneo naar Celebes. Wat ik al had gelezen en gehoord bleek uit het vliegtuigraampje waarneembaar. De eindeloze regenwouden waar Borneo vroeger mee was bedekt, zijn voor een groot deel verdwenen door ongelimiteerde en/of illegale houtkap. Doordat het woud wordt gekapt, zakt het grondwaterpeil drastisch. Bovendien worden kanalen gegraven voor het vervoer van het hout, daardoor wordt het gebied nog meer ontwaterd. Elk jaar van juli tot oktober staat het gebied in brand.
 

Wat een spectaculaire hervorming van de Indonesische landbouw had moeten worden, is uitgelopen op een milieuramp. Miljoenen hectares veen in Kalimantan gaan in rook op als gevolg van het Mega Rice Project van voormalig president Soeharto. Op Kalimantan, het met oerwoud bedekte eiland dat deels Indonesisch en deels Maleisisch is, brandt het veen. Dr Henk WŲsten van Alterra heeft het aan den lijve ondervonden, en het is geen pretje. 'Als het op zijn ergst is, is er geen tien meter zicht. Scholen gaan dicht, mensen moeten binnenblijven, vliegtuigen kunnen niet opstijgen of landen, en overal ruik je de geur van verbrande turf, in je kleren, je haren.' Het vuur keert elk jaar weer terug in het droge seizoen, van juli tot oktober. Onlangs sloeg een internationale club van wetenschappers alarm. Want de effecten van de veenbranden in IndonesiŽ en MaleisiŽ blijven niet beperkt tot de directe omgeving. In 1997, een extreem droog jaar, brandde er volgens satellietdata 2,7 miljoen hectare veen af in Centraal-Kalimantan. Met als gevolg een uitstoot aan CO2 die gelijk staat aan maximaal veertig procent van de complete wereldwijde uitstoot door fossiele brandstoffen per jaar, wat neerkomt op de jaarlijkse uitstoot van Europa. Alarmerende cijfers, vindt WŲsten, die samen met collega-onderzoekers uit IndonesiŽ, MaleisiŽ, Duitsland, Finland en Engeland onderzoek doet naar de veenbranden. 'En', verzucht hij, 'er komt pas aandacht voor het probleem als de vliegvelden van Singapore en Kuala Lumpur dicht moeten vanwege de rookoverlast. Bron: Resource. Weekblad Wageningen UR

Degenen die wťl rijk worden van de houtkap en de oliepalmen zijn een kleine groep mensen, die vaak gebruik maken van corrupte overheidsfunctionarissen. Er gaan verhalen de ronde over corrupte ambtenaren die ten onrechte vergunningen afgeven voor het kappen van bos. Dat gebeurt vaak onder het mom van een oliepalmplantage die daar gevestigd zal worden. Vaak gaat het echter om stukken grond die, bijvoorbeeld door de hoogte waarop ze liggen, ongeschikt zijn voor het kweken van oliepalmen. Naast deze witteboordencriminaliteit en semi-legale houtkap vindt nog steeds illegale houtkap plaats. Het kappen van hout zonder vergunning is verboden, maar vaak knijpen politieagenten tegen betaling een oogje dicht. De Indonesische minister van milieu Witoelar geeft in de IKON uitzending aan Paul RosenmŲller toe dat de corruptie een probleem is. Onderzoek van de Verenigde Naties, eerder dit jaar, wees uit dat 73 % van de houtkap in IndonesiŽ illegaal plaatsvindt. Deze houtkap vindt deels plaats op veengronden, en draagt dus bij aan de CO2-ramp.

Bron: IKON Uitzending 13 juni 2007.

Daarna de diepblauwe zee met soms groene eilanden omringd door witte branding en spierwitte stranden. Hier en daar een eenzaam schip. Toen weer land. Sulawesi. Veel meer bebost en bergachtig dan Kalimantan, met bergen van 3000 meter hoog. Het weer betrok. Toen het vliegtuig de landing inzette, werden we omringd door een grijze nevel. Na een eindeloos lijkende tijd doken we ineens vanonder de wolken en zagen het land beneden ons. Het regende pijpenstelen. De groene palmen en sawah’s die het land overdekken schoten onder ons door toen we lager en lager kwamen tot we met een bons en piepende banden de landingsbaan raakten. Daarna het gierende geluid van de afremmende motoren, en toen het rustig taxiŽn naar de ontvangsthal.

Daar in het gedrang en geroep van kruiers in blauwe korte broek en tee-shirt elleboogden we ons een weg naar de balie van de douane en de politie. Ernstige gezichten met Polaroid zonnebrillen op, strak in uniform. Na nauwlettende bestudering van onze visa wuifden ze ons onverschillig door. Alleen Nederlanders als oude kolonisators moesten een visum aanvragen in Nederland, inwoners van andere (Westerse) landen konden ter plekke een visum krijgen. Na een hele tijd reden we weg van het vliegveld dat 15 kilometer van de stad ligt. Menado is de hoofdstad van de Minahasa. Onze taxi baande zich met een slakkengangetje, al toeterend en slalommend door het drukke, van uitlaatgassen vergeven verkeer. Toch is er van agressie geen sprake. Men wacht geduldig af, geeft een ander voorrang, en zit heel relaxed achter het stuur. Veel kerken telde ik. Van allerlei gezindten. Protestant, Katholiek, Luthers, Doopsgezinden, vrijzinnigen, wederdopers, er kwam geen eind aan. Ook zagen we enkele moskeeŽn met luidsprekers op de spitse minaretten.

-Veel kerken, zei ik tegen Robbie onze hotelchauffeur, die ontspannen achter het stuur zat.
-Ja, antwoordde hij. Veel kerken. Veel christenen.
-Ook veel moslims?, vroeg ik.

Hij haalde zijn schouders op.

We arriveerden bij hotel Minahasa dat midden in de stad ligt. Het is een gezellig familiehotel waar veel Indische Nederlanders komen. Het ligt tegen een helling aan. Aan de straatkant zijn de eetzaal en de receptie. Via trappen kom je in de tuin erachter die terrasvormig is aangelegd. Daar staan aparte gebouwtjes die 4 tweepersoons kamers met douche en balkon tellen op 2 verdiepingen. We werden naar onze kamer gebracht en kregen een maaltijd voorgezet in het restaurant. Een aardige oude Indische dame kwam vragen in voortreffelijk Nederlands, of we lekker hadden gegeten, en of de kamer in orde was.
-Ik ben Tante Lies, stelde ze zich voor. Ik ben al tachtig jaar oud hoor!
We bedankten haar, het was heerlijk.

 Aangezien het stortregende, werden we door een bediende met paraplu en lamp tot aan onze kamer gebracht. Daarna zaten we nog een half uurtje op het balkon naar de ruisende regen te luisteren, met uitzicht op de lichtjes van de stad en in de baai van Menado. We gingen naar bed maar voor een paar uurtjes want om twaalf uur moesten we weer op het vliegveld zijn voor de vlucht naar Biak.

Later stonden we gepakt en gezakt voor de receptie van het hotel. Robbie droeg onze koffers naar de auto, en daar gingen we. Het was inmiddels opgehouden met regenen, de wegen waren weer droog. 's Nachts ziet een landschap er heel anders uit dan overdag, en dit tropische landschap zeker. De weg was leeg, hier en daar een eenzame auto, een enkele voetganger. Wel veel rondzwervende kamponghonden die vlug uit de lichtbundel van de auto naar de veilige berm vluchten. Na het inchecken bij Merpati, stegen we om kwart over twee na lang wachten eindelijk op, richting Nieuw-Guinea. Het toestel was tamelijk vol met IndonesiŽrs, wij waren de enige buitenlanders.

 -Nu gaat het gebeuren, zei Tom. Straks zien we de eerste Papoea’s en zijn we terug na 45 jaar.
-Niet te geloven, antwoordde ik. Ik ben erg nieuwsgierig hoe het er uitziet na al die jaren. Er zal wel veel veranderd zijn.
Niet de bergen en de baaien, die zijn onveranderd. Het zijn de mensen die veranderd zullen zijn. Bij dageraad landden we op het vliegveld op Biak. Hier waren we aangekomen in maart 1959 na de lange vlucht over de Noordpool vanuit Nederland. Jong, naÔef en onervaren. Vanaf dit vliegveld waren we ook weer vertrokken, bijna anderhalf jaar later. Nog steeds jong, maar zeker niet onervaren. Ons hotel, het Nirmala Beach Hotel lag aan de zee, maar van een beach was geen spoor te bekennen. Wel stukken beton en rotsblokken die als zeewering dienden. We liepen door de glazen deuren van het hotel naar de receptie, gevolgd door de chauffeur met onze koffers. De lobby zag er prachtig en luxueus uit, met glanzende hardhouten trappen naar boven en dikke tapijten over de marmeren vloer. We keken verbaasd in het rond.

-Chique bedoening, zei Tom. Zitten we wel goed hier?
-Op de voucher en de papieren staat; Nirmala Beach Hotel, zei ik.

De Indonesische bediende in de receptie bekeek onze voucher en knikte. Onze kamer was aan zuidzijde gelegen en bood een prachtig uitzicht over de kalme blauwe zee. Hij was prachtig en overdadig ingericht, met ruime lits-jumeaux en een met bruingeaderd marmer betegelende badkamer met ligbad, en dubbele wastafels. En natuurlijk airco. Ik kon de verleiding niet weerstaan, liep de badkamer in, en nam een heerlijk bad. Daarna wilden we wat eten in het restaurant van het hotel. Bij onze binnenkomst stoven de serveersters verschrikt op van de televisie waar ze voor zaten en verdwenen giechelend in de keuken. Ze waren allen eender gekleed in een fleurig katoenen pakje met batiksymbolen.  Na verloop van enige minuten kwamen er twee tevoorschijn, en vroegen verlegen of we iets wilden eten. We bestelden een omelet en veel koffie. Op de terugweg naar onze kamer liepen we even langs de receptie. Erachter stond een jonge vrouw die er doortastend uitzag.
-Weet u hoe wij bij het politiebureau komen?, vroeg ik haar. Wij moeten een Surat Jalan aanvragen.
Een Surat Jalan is een reisdocument dat buitenlanders in Nieuw-Guinea bij zich moeten hebben. In elke plaats waar je bent, moet je je melden bij de politie en het document tonen.
-U kunt met de hoteltaxi gaan, zei lachte ze. Ik heet Lisa. Zal ik met u meegaan?
Dat was een meevaller. We spraken af voor 1 uur, gingen naar boven en doken in bed om de jetlag te bestrijden.

Het politiebureau bevond zich niet ver van het hotel en bestond uit een aantal lage houten barakken. Een aantal agenten in uniform hingen verveeld en slaperig door de warmte op de banken die voor het bureau stonden. Lisa liep voor ons uit naar een deur, en ging naar binnen. In het kantoortje stonden een paar houten bureau’s, waarachter agenten zaten te doezelen. Aan de wand hing een portret van de president van IndonesiŽ.
Lisa stelde ons voor aan de oudste agent en deelde de reden van ons bezoek mee. Hij knikte, draaide een formulier in de schrijfmachine die voor hem stond en begon met twee vingers te typen. We moesten elk ons visum, twee pasfoto's en
Aardige serveersterseen kopie van ons paspoort aan hem overhandigen. Ook moesten we onze reisdoelen en de hotels die we geboekt hadden aan hem opgeven.
Terwijl hij bezig was het reisdocument in orde te maken, maakten we met behulp van Lisa die als tolk fungeerde, een praatje met de andere agenten. Ze wilden weten wat we op Biak kwamen doen. Toen we vertelden dat we hier in 1960 waren gelegerd, waren ze niet verbaasd. Het bleek dat er regelmatig oud-militairen langs kwamen op een nostalgische reis.
De Surat Jalan zag er indrukwekkend uit met onze foto’s en vooral veel stempels en handtekeningen. Hij kostte dan ook 50.000 rupiah. ( € 5)

Op de terugreis in de taxi vertelde Lisa dat het luxe hotel bijna leeg stond. Het was drie jaar daarvoor met veel festiviteiten geopend door president Sukarnoputri. De bedoeling was meer toeristen aan te trekken, maar dat was niet helemaal gelukt. Nu stond het hotel bijna ongebruikt, en het zou een kwestie van tijd zijn voor het werd gesloten. De weg terug naar het hotel liep tot onze verrassing langs het oude Nederlandse Marinekamp Sorido waar we hadden gediend. Van de vele goedangs (pakhuizen) die er stonden, was niet al teveel meer van over. Hier en daar stonden er een aantal met ingestorte daken. De wegen en paden waren verwaarloosd en met gras en onkruid overdekt. Alleen de toegangspoort was onderhouden en strak in de verf. Toen we om negen uur naar buiten liepen stond onze hoteltaxi al op ons te wachten. Ahmed, onze chauffeur vroeg waar we heen wilden.
-Bosnik, antwoordden wij. Dat kenden we nog, het is aan de oostkant van Biak en heeft een prachtig strand met veel koraal.
Tijdens de rit viel het ons op hoe landelijk en eenvoudig Biak nog steeds is. Keurige aangeharkte tuintjes voor de huizen, en brede wegen omzoomd met hoge bomen. Geen knetterende brommers, geen schreeuwerige kooplieden, en geen huisvuil. Het strand bij Bosnik was er een uit een reisgids. Een azuurblauwe zee, een blauwe hemel en een spierwit strand. Majestueuze kokospalmen bogen zich voorover naar zee, en gaven genoeg schaduw. Twee blauw geschilderde vlerkprauwen waren op het strand getrokken. We waren de enige bezoekers van dit lustoord. Na een uurtje slenteren langs het strand, en genieten van het uitzicht stapten we weer in de taxi en gingen verder langs de kustweg. Ik zat ademloos te kijken. Wat een maagdelijke schoonheid. Geen terrassen, geen souvenirwinkeltjes, geen zonnebrandolie, geen drommen toeristen in korte broek. Onbekend en ongerept. Terwijl we wat stonden te kijken werden we aangesproken door een wat oudere Papoea die aan kwam lopen. Hij sprak voortreffelijk Nederlands en was keurig gekleed in een blauwe broek en dito teeshirt.
-Ik heet Jacobus, stelde hij zich voor. Ik heb vroeger op de marinewerf gewerkt.
Ik vroeg hem waarheen hij op weg was.
-Biak kota, antwoordde hij. Naar de pasar.
Ik keek bedenkelijk naar zijn voeten. Hij droeg badslippers, en de markt was zeker 15 kilometer ver.
-Als je wilt kun je meerijden, stelde ik voor.
-Graag, knikte hij verheugd.
Ahmed schraapte zijn keel.
Strand bij Bosnik op BiakIk mag geen Papoea’s meenemen in mijn auto, zei hij met een afkeurende blik naar Julius.

-Nu wel, zei ik. Wij betalen jouw en de taxi.

Bij de pasar bij de haven stapten we uit. Ahmed bleef wachten in de taxi. We liepen met Jacobus de markt op. Hij stelde ons trots voor aan mensen die hij kende. Het was gezellig druk. Veel groenten en fruitstalletjes waar van alles te koop was. Langs een muur zaten vrouwen achter een tafeltje met daarop betelnoten en een plastic emmertje met kalk. De bedoeling is de noten en het blad samen te kauwen, en daarna de kalk erbij te doen. De sirih is licht verslavend en neemt honger en moeheid weg. Zowel mannen als vrouwen gebruiken het. Hun tanden en mond zien rood van het sap, dat ze geregeld zijdelings wegspuwen. Onder een overkapping werd verse waar verkocht. Veel verse vis, zo uit zee. Snappers, barracuda, inktvis, tonijn. Alles op verse pisangbladeren, de kooplieden goten regelmatig zeewater over de vis om ze vers te houden in de hitte, en de vliegen te verjagen. Ook hompen vlees van onbekende herkomst, en tot mijn verrassing ook vlees van een zeeschildpad, herkenbaar aan de peddelachtige voorpoten die er naast lagen. Terug in het hotel gingen we na het mandiŽn naar de eetzaal. Die was tot onze verassing flink gevuld met IndonesiŽrs in blauwe, groene en kaki uniformen met emblemen. Allen met Polaroid zonnebril met spiegelende glazen, en een of meerdere glinsterende balpennen in de borstzak. Ze maakten deel uit van het gevolg van de gouverneur van Nieuw-Guinea. Die was op verkiezingstocht. Het menu was daarom uitgebreid. Nu niet alleen nasi goreng met kip, maar ook nasi goreng met vis. We werden aangesproken door een jongeman in burger, die voortreffelijk Nederlands sprak. Hij was waterbouwkundig ingenieur en had in Delft gestudeerd. Hij stelde ons voor aan een grote zwarte Papoea in kakiuniform. Hij was het prototype van een echte Papoea. Zwart, kroeshaar en een brede haakneus.

-Hoe maakt u het?, vroeg hij vriendelijk in het Nederlands. Het bleek dat hij deel uitmaakte van het gevolg van de gouverneur. Onder het Nederlands bewind had hij zijn schoolopleiding genoten. Wij leerden Nederlands uit twee schoolboekjes, glunderde hij, terecht trots op het feit dat hij zo goed Nederlands sprak. Het eerste leerboekje heette; Het Begin, het vervolg heette; De Paradijsvogel. -Eet met ons mee, nodigde hij ons uit. Wij eten sago, echt Papoea voedsel. Inderdaad stond in het midden van de tafel een diepe schaal met daarin sagopap. We hadden het vroeger al eens gegeten. Het lijkt niet alleen op behangerslijm, maar het smaakt precies hetzelfde.

-Nee, dank u wel, antwoordde Tom beleefd, onze magen zijn een beetje van streek door de lange reis en het ongewone voedsel.

De andere ochtend vertrokken we al vroeg voor een rit naar de westpunt van het eiland. Het landschap verschilde met wat we de vorige dag gezien hadden. Deze weg slingerde zich door een droog bos, afgewisseld door velden met lang gras of Mensen van Biakstruiken. Na ongeveer een uur rijden kwamen we in de kampong Waneru. Een kleine nederzetting van misschien 40 huisjes.
We werden benaderd door een groepje bewoners. De vrouwen, meisjes eigenlijk nog, droegen hun baby’s in de arm, de wat grotere kinderen joelden en wilden op de foto. Een van de moeders stak me haar baby toe. Het kind keek me met haar donkerbruine ogen aandachtig aan. Opeens voelde ik haar ontspannen en lachte breed naar me. De volwassenen begonnen luid te lachen, en ik ook. Het was een mooi moment. Na het uitdelen van wat snoepwerk aan de kinderen, en wat geld aan de moeders, reden we door richting Korem, een kampong aan de kust.

Vlak voor de kampong sloegen we een zijweg in door een klapperbos, die naar een baai leidde. Dit was een veel ruiger strand als wat we de vorige dag hadden gezien. Een flinke branding, met golven die schuimend en brullend over de zandbanken voor de kust naar het strand rolden. Het lag vol met aangespoelde bomen die vaak half begraven met naakte stammen vanuit het witte zand omhoogstaken. Veel afgevallen en aangespoelde kokosnoten, waarvan enkelen al wortelschoten in het vochtige zand. Grote rode krabben scharrelden voorzichtig rond en schoten zijdelings lopend weg als je te dichtbij kwam. Een paar meter van het zandstrand, net buiten het bereik van de zee, begon het tropisch plantenrijk. Eerst kruipende groene planten met hartvormige bladeren en kleine gele bloemen, en veel grote varens. Daarachter schoot Ficusachtig struikgewas op met leerachtige bladeren. Weer daarachter groeiden de klapper en andere bomen die omhoogstaken in de blauwe lucht. De andere dag lieten we ons in de taxi naar de kota brengen. We wilden wat winkelen, en misschien een stukje eten. Toen we een poosje door de kota hadden gelopen, gingen we een pilsje drinken in een Chinese rumah makan. Naast de ingang zat een morsige dikke Chinese vrouw die kennelijk de eigenares van de tent was. Met een sloom gebaar maakte ze een van de dienstertjes attent op het feit dat er nieuwe klanten binnengekomen waren. De tent rook naar ranzig vet en natte luiers. We kozen een plaatsje onder een ventilator die snorrend de warmte en de stank probeerde te verdringen, en bestelden een gekoelde Bintang.

Later op de pasar ikan spraken we met Matheus, een Papoea van het eiland Waigeo. Waigeo behoort tot de Radja Ampat eilandengroep die bestaat uit vier eilanden, voor de kust bij Sorong. Het is een dunbevolkt eiland bedekt met een ondoordringbaar oerwoud. De koraalbanken rondom de eilanden zijn de mooiste ter wereld en herbergen meer dan 500 soorten vis. De bevolking van Waigeo is verwant aan die van Biak. Ze spreken eenzelfde taal. Matheus was getrouwd met een vrouw van Biak, en daarom woonde hij nu hier.
-Biak is veel groter als Waigeo, zei hij. Daar geen werk. Maar hier veel orang Indonesia, haalde hij zijn schouders op. Misschien, ik ga terug naar Waigeo.
Terug in het hotel pakten we onze koffers en gingen naar het eten meteen naar bed, want ons vliegtuig naar Hollandia vertrok al om 4.30 uur. Toen we bij het krieken van de dag boven het onafzienbare oerwoud van Nieuw-Guinea vlogen, werd me duidelijk dat ook hier aan (illegale) houtkap werd gedaan. Op veel plaatsen was het bos massaal weggehakt, wat te zien was aan grote plekken rode verschroeide aarde. Ook veel wegen die naar die kapplaatsen leidden. Hier en daar waren wegen aangelegd naar de kust waar het hout in schepen werd geladen. Dat veel Papoea’s zich daar zorgen over maken werd ons duidelijk toen we in Jayapura en Sorong met mensen praatten. Na een uurtje vliegen landden we op het vliegveld Sentani bij Hollandia. Het vliegveld is door de Japanners in de tweede wereldoorlog aangelegd, en later door de Amerikanen uitgebreid tot twee startbanen.

Het was een rustige vlucht geweest, het vliegtuig zat voor ĺ vol. Het bekende gedoe om de koffers te pakken te krijgen. Het aandringen van de vele kruiers om je bagage te mogen dragen, de hitte. Het werd al aardig bekend. Het vliegveld was wel veranderd, maar veel was nog herkenbaar. De verkeerstoren stond er nog. Het Cycloopgebergte, meestal in wolken gehuld, op de achtergrond. We wezen elkaar naar de plaats waar onze tenten hadden gestaan, tijdens de vele keren dat we de wacht bij het vliegveld hadden gehad. Voor ons was het een van de plaatsen waar we in die tijd graag heen gingen. We gingen erheen met 12 man onder leiding van een korporaal. We liepen de wacht rondom de toren en de startbaan en kookten ons potje van de noodrantsoenen uit blik die dik over de THT waren. Als we vrij waren gingen we zwemmen bij de “marinierspoel” een plekje waar een kali uit het oerwoud stroomde, en een poel had gevormd waar je heerlijk kon zwemmen. Van “de Strip” uit, werden we soms voor een week uitgezonden naar de munitieopslagplaats bij Renouwen. Er was altijd wel wat te doen. De Dakota’s van de Kroonduif en de Firefly’s van de MLD stegen en landden Vliegveld Jayapurahier, evenals de Pipercubs van de missie en de zending. Bij het vallen van de avond vlogen duizenden kalongs (vliegende honden) over naar het oerwoud.
We werden benaderd door een jonge man die van het reisbureau bleek te zijn. Hij dirigeerde ons naar zijn auto die buiten stond. De weg van Sentani naar Hollandia is veertig kilometer lang en loopt gedeeltelijk langs het Sentanimeer en door het Cycloopgebergte. Meteen al viel me op, dat het er erg verpauperd uitzag in vergelijking met vroeger. Waar je vroeger een mooi uitzicht had op het meer, en kamponghuizen op palen, werd het uitzicht nu verpest door allerlei hutjes en bouwseltjes die zich in de bermen van de weg hadden genesteld. Ik zag een paar mensen die de olie van een auto aan het vervangen waren. De afgewerkte olie liep gewoon in de berm. Ook veel stalletjes met klappers en pisangs. Abepura, het vroegere Hollandia Binnen, een buitenwijk was veranderd in een typische Indonesische stad. Druk verkeer, knetterende brommers, bankgebouwen en veel mensen. Geen Papoea’s. Het Relat Indah hotel bleek zich ongeveer vijf kilometer zuidoostelijk van het centrum te bevinden. Het was een behoorlijk middenklasse hotel. De eetzaal was een grote lichte ruimte aan de zuidkant van het hotel. Aan een kant was een buffet, de rest was opgevuld met tafels en stoelen. Het zag er verzorgd uit. Toen we ons gemandied hadden, wilden we lopend naar het centrum gaan. Onderweg vroegen we aan een man die aan zijn auto zat te prutsen, de weg.
-Stapt u maar in, zei hij vriendelijk, en deed het portier van de auto open.
We bedankten hem en stapten in. Het bleek dat we wel in de goede richting liepen, maar dat de afstand toch nog behoorlijk was. Als je Hollandia binnenkomt vanaf Abepura, is er een afdaling via een bochtige weg met haarspeldbochten die langs de haven naar het centrum leid. We werden afgezet bij het begin van de Oranjelaan die nu Jalang Achmed Jani heet.

Ik stond verstomd. Wat vroeger een brede rustige laan was met winkels en Chinese toko’s, was veranderd in een rommelige straat met druk verkeer. Knetterende brommers, uitlaatgassen, sjacheraars, stalletjes onder felgekleurde plastic zeilen, eettentjes en veel IndonesiŽrs. We baanden ons voorzichtig een weg over het trottoir omdat er hier en daar grote gaten inzaten van wel een meter diep. Aan het einde van de Oranjelaan bij de brug over de kali, stonden we verbluft stil. De kali die vroeger ons zwembad vulde en door de stad stroomt was een groot open riool geworden. Het bruine modderige water zocht zich een weg langs grote hopen afval, stront en straatvuil op weg naar de Humboldtbaai. Groepjes varkens Dok Limascharrelden al knorrend rond op zoek naar wat eetbaars. De oevers van de kali waren bebouwd met armoedige huisjes met verroeste golfplaten daken. Er kwam een man uit een van de huisjes die zijn afval gewoon in de kali dumpte. Voor de politiekazerne stond een plastic standbeeld van een politieagent. Hij was meer dan manshoog, en stond dreigend neer te kijken op de voorbijgangers. Wij gingen de poort binnen en kwamen op een binnenplaats waar een aantal jonge agenten zich in een soort open kantoortje zaten te vervelen. Ik vroeg waar ik mijn Surat Jalan kon laten afstempelen. Ze zwaaiden me door naar een kantoor waar ‘chef’ op stond.
Ik klopte, en deed de deur voorzichtig open. Aan een verveloos houten bureau zat een dikke agent die me door de glazen van zijn Polaroid zonnebril wantrouwend aankeek.
-Ik wil graag mijn Surat Jalan laten afstempelen, begon ik. We zijn vandaag aangekomen vanuit Biak.
Hij stak zijn hand uit zonder iets te zeggen. Ik gaf hem de reispas.
-Paspoort, beval hij, weer zijn hand uitstekend.
Zorgvuldig vergeleek hij onze paspoorten met de gegevens op de Surat Jalan.
Nadat we de gebruikelijke vragen (hoelang blijft u, wat is uw beroep, wat komt u hier doen, etc) hadden beantwoord, stempelde hij de Surat Jalan af, en gaf hem aan ons terug. Geen foto’s maken van militaire of politieobjecten maken, en niet aan politieke bijeenkomsten deelnemen of daarvan foto’s maken sprak hij.

De volgende morgen bestelden we een taxi om wat van de omgeving te gaan zien. Eerst naar Dok Lima (vijf) naar het paleis van de Gouverneur waar we zoveel wacht hadden gelopen. Het was een chique buurt waar de super Bobo’s woonden. Dat is nog steeds zo, te zien aan de goed onderhouden tuinen die rondom de villa’s liggen. Bij het paleis stapten we uit, en liepen in de richting van het wachtgebouwtje. Het was nauwelijks veranderd, alleen was aan de voorzijde een veranda aangebracht waar enkele leden van de militaire politie ons argwanend opnamen.
-Hallo, sprak ik, met de meest vriendelijke grijns die ik kon opbrengen. Hoe gaat het met u?
Ze knikten gereserveerd en afwachtend.
-Wij hebben hier vroeger als marinier gediend, zei ik. Lang geleden. Er is weinig veranderd zo te zien.
Ze knikten weer en wachtten af.
-Mag ik hier een paar foto’s maken?, vroeg ik. Om thuis te laten zien, waar we geweest zijn.
-Tidah!, sprak de oudste van het viertal. Geen foto’s, dat is verboden.
-Wij zijn veteranen, probeerde ik nog. Wij zijn militairen geweest, net als jullie nu zijn. We hebben hier wacht gelopen. Uit nostalgie willen we even rondkijken en foto’s maken.
-De oudste stond nu op, en trok een boos gezicht.
-Wegwezen, geen foto’s!, schreeuwde hij.

Bihar, onze chauffeur begaf zich dadelijk haastig en geÔmponeerd naar de taxi en stapte in.
-Kom, wenkte hij nerveus vanuit het open raam van de auto. We gaan weg!
Langzaam, en met tegenzin slenterden we naar de auto en stapten in. Bihar schakelde in, en
Base G bij Jayapurareed haastig weg.
-Dat moeten jullie niet meer doen, zei hij angstig en boos tegelijk. Dat kost me mijn vergunning als het verkeerd loopt.
We reden verder de tjot op, richting Base G, het strand waar de Amerikaanse mariniers in 1943 een landing hadden uitgevoerd om de Jappen te verdrijven.
Het was een enorme invasiemacht die bestond uit meer dan 50.000 man. De bedoeling van de Amerikanen was om van Hollandia een belangrijke aanvoerhaven te maken. Het vliegveld op Sentani werd veroverd op de Jappen, en uitgebreid tot drie startbanen waar zware bommenwerpers konden landen. In twee maanden tijd werd een wegennet van ruim 100 km aangelegd en een pijpleiding van 250 km lang om de vliegtuigen van brandstof te voorzien. Later in dat jaar telde de stad 140.000 inwoners. Boven op de tjot stopten we om wat foto’s te maken van het schitterende uitzicht. Rechts naast ons golfde het land groen en heuvelachtig naar beneden. Links hetzelfde beeld, erachter steeg het landschap tot een flinke tjot. Daarachter de blauwe Stille Oceaan met de witte branding en de palmen op het strand van Base G. Beneden bij het strand stopten we bij een wachthuisje waar we een kaartje moesten kopen om op het strand te mogen.

-Hallo heren, klonk het opgewekt in het Nederlands, en een grote lachende Papoea kwam op ons af, gekleed in een korte broek met teeshirt. Voor het huisje zaten nog wat mensen die toekeken.
-Mijn naam is Jan Heyn, en ik woon hier. Een kaartje kost 10.000 Rupiah. En doe er even 10.000 bij, want mijn sigaretten zijn op. We hebben niets te roken, mijn vrienden en ik. Hij wees met een breed gebaar naar de mensen bij het huisje.
Ondanks de brutaliteit moest ik lachen, hij bracht het zo vanzelfsprekend, en in perfect Nederlands, dat ik het op de een of andere manier wel hebben kon. Hij bedankte ons met een stevige handdruk en slofte terug naar zijn vrienden in de schaduw voor het wachthuisje.

Het strand was niet veranderd, en nog even mooi. Spierwit koraalzand met klapperbomen die zich erover heen bogen, en een azuurblauwe oceaan, die verderop overging in staalblauw. Een kalme branding rolde traag op en af het strand. Sommige gedeelten van het strand waren begroeid met groene vetplanten. Achter ons bloeiende struiken en een paar hutjes met een atapdak waar een paar Papoea’s zaten te knikkebollen. Het strand strekt zich over een paar kilometer langs de kust uit en is vermaard door zijn schoonheid. Een paar vissersprauwen die op het droge getrokken waren, lagen vlakbij. Verderop maakte de kust een bocht waardoor een baai ontstond. De blauwe bergen daarachter behoorden tot Papua New Guinea, het vroegere Australische deel.
In het hotel was een groep voetballers gearriveerd. Poenige jongens met baseballpetjes op, pronkend met gouden sieraden en de laatste mobieltjes. In hun gevolg een echte coach, zwetend en drukdoend, en de nodige groupies die om hen heen hingen. Ze speelden voor het team van Freeport, de grote Amerikaanse mijnindustrie die de grote kopermijn bij de Grasberg exploiteert. De werknemers van de mijn bestaan bijna helemaal uit buitenlanders inclusief IndonesiŽrs, en weinig tot geen Papoea’s. Het geld verdwijnt respectievelijk in de zakken van de Amerikanen en de IndonesiŽrs, de stam van de Amungmes grijpen ernaast en worden verjaagd van de grond waar ze sinds mensheugenis wonen.

Tijdens een expeditie onder leiding van Dr. Colijn in 1936 naar de hoogste toppen in het Carstenzgebergte werd door een jonge geoloog, Dr. Dozy, de “Ertsberg” bij de zuidingang van de Carstenszweide ontdekt. Hij beschreef “Grote groene vlekken van Malachiet (basisch kopercarbonaat die de aanwezigheid van koper verraden”. Aangezien dit op 3700 meter hoogte lag, op een afstand van 100 km van de kust verwijderd, was de exploitatie in die tijd (nog) niet lonend. Na de overdracht van Nieuw-Guinea door Nederland aan IndonesiŽ, werd een concessie om het koper te winnen, aan de Amerikanen verleend. Misschien als beloning voor de krachtige steun die ze aan de IndonesiŽrs hadden verleend om de overdracht, die bepaald niet in het voordeel was van de Papoea’s, mogelijk te maken.

Onder de kop: “Below a Mountain of Wealth a River of Waste”, heeft The New York Times op 27 december 2005 een artikel geplaatst over de vergaande corruptie, en de vervuiling van het gebied door Freeport.

With a few taps on a keyboard, satellite images quickly reveal the deepening spiral that Freeport has bored out of its Grasberg mine as it pursues a virtually bottomless store of gold hidden inside. They also show a spreading soot-colored bruise of almost a billion tons of mine waste that the New Orleans-based company has dumped directly into a jungle river of what had been one of the world's last untouched landscapes.

Company records obtained by The Times show that from 1998 through 2004, Freeport gave military and police generals, colonels, majors and captains, and military units, nearly $20 million. Individual commanders received tens of thousands of dollars, in one case up to $150,000, according to the documents. They were provided by an individual close to Freeport and confirmed as authentic by current and former employees.

We gingen de volgende dag per taxi naar het Sentanimeer. Ditmaal een andere chauffeur. Theo, een Sumatraan. De rit naar het meer was dezelfde als op de heenweg, over het Cycloopgebergte. Langs de kant veel krotjes, schuurtjes, stalletjes met klappers en andere rotzooi. We reden door Abepura, het voormalige Hollandia-Binnen. Ook hier een aaneenschakeling van rommelige gebouwen, hutjes en bouwvallen. Het verkeer was zeer druk, we passeerden tientallen open vrachtwagens, geladen met honderden jonge Papoea’s met groene, blauwe of rode hoofddoeken om. Ze zagen er dreigend en krijgshaftig uit.
Sentanimeer-Papoea Merdeka!, (vrij) schreeuwden ze met gebalde vuisten en bonkten op het dak en de zijkanten van de vrachtauto.
Theo parkeerde de taxi onopvallend voor een winkel en zette de motor af, zodat de geschreeuwde leuzen en het gebonk duidelijk te horen was. Hij voelde zich niet erg op zijn gemak.
-Waar gaan ze heen?, vroeg ik hem.
Hij vertelde dat ze zich naar Jayapura begaven om daar te demonstreren.
-Waartegen, vroeg ik.
Hij haalde zijn schouders op, en glimlachte verontschuldigend. Het was duidelijk genoeg, ze demonstreerden voor een vrij en soeverein West-Papua. Wij hadden de affiches gezien die overal langs de weg waren aangebracht op borden. Er waren twee kandidaten voor de positie van gouverneur van Nieuw-Guinea. De ťťn was duidelijk een IndonesiŽr, de ander leek vanuit de verte wel wat op een Papoea. Die werd het dus niet, dat was duidelijk. Dat wisten de demonstranten ook, dus daarom protesteerden ze zo massaal. Het Sentanimeer lag er net zo mooi bij, als we ons herinnerden. Glashelder water, waarop een enkele prauw, en de mooie blauwe heuvels rondom. De oevers van het meer bestaan uit heuvels die voornamelijk begroeid zijn met alang-alang , een schouderhoog, taai soort gras met scherpe randen. Tijdens de vele patrouilles die we hier hadden gelopen, hadden we ruimschoots de gelegenheid gehad er kennis mee te maken.
Bij meneer Chris, een mooie uitspanning aan het meer, dronken we een jus d’orange. Het was er heerlijk koel. Theo wilde niet mee, was duidelijk verlegen met de situatie om als taxichauffeur met een paar Hollanders op een terras te zitten. Het overdekte terras op palen boven het meer, was druk bezet door een menigte IndonesiŽrs met badges op, die duidelijk behoorden tot een officiŽle politieke delegatie, in verband met de verkiezingen. Ze namen weinig notitie van ons, druk als ze het hadden met elkaar op de foto te nemen met het meer als achtergrond.
Bij het binnenrijden van Jayapura werd duidelijk waar al de demonstranten gebleven waren. Het regende pijpenstelen. Duizenden opgewonden, meest jonge, Papoea’s, en zwaaiend met vlaggen bevolkten een groot open terrein. Er werd geschreeuwd en leuzen geroepen. Veel politieagenten die in slagorde en nerveus de menigte gadesloegen. Er hing een grimmige sfeer die nog werd versterkt door het onweer dat verder weg in de bergen lichtte en dreunde.
-Dit houden ze nooit, bromde Tom. Hij duidde op de IndonesiŽrs. Vroeger of later breekt hier een geweldige opstand uit.
Ik was het met hem eens. Je kunt met geweld en tirannie een volk wel onderdrukken, maar niet voor altijd. Dat wijst de geschiedenis duidelijk uit. Vroeger of later komt een volk in opstand, en vecht het zich vrij.

Later hoorden we dat er die dag twee Indonesische agenten waren gedood door de opstandelingen. Over de repressie door de militaire macht die daarop ongetwijfeld zijn gevolgd, hoorden we niets. De volgende dag reden we met Bihar een stukje in de richting van Dok Lima, waar we een flinke wandeling maakten. Het weer was stralend, en er stond een flink briesje die een aangename verkoeling bracht. Of zouden we nu al wennen aan het Kinderen uit de kampong bij Jayapuratropische klimaat? Bij de haven teruggekomen, streken we neer bij een eethuisje op de steiger bij de haven. Aan de voorkant werd verse vis gegrild op een houtvuurtje. Tom koos een dikke moot tonijn, en ik een flink stuk van een vis waarvan ik de naam niet ken. We kregen witte rijst, sajoer, heerlijke sambal met tomaat en komkommer, en water bij de vis. De rekening bedroeg 40.000 rupiah, ongeveer 4 euro. Net voor de schemering liepen we het pad af naar de kampong die aan de Humboldtbaai ligt. Het voert langs een steengroeve met oker en roze gekleurd kalkgesteente, waarvan ik een stukje meenam als souvenir. Een paar vrouwen zaten op een steiger betelnoten te verkopen, en zwaaiden ons vriendelijk na. Bij een in aanbouwzijnd huis waren twee mannen bezig. De kampong ligt zeer fraai onder bomen die schaduw geven, en van het water waait een fris windje. In de boom voor het huis hingen vruchten, die bij navraag betelnoten bleken te zijn. Een groepje kinderen volgden ons lachend en stoeiend met elkaar, terug naar het hotel en bedelden om snoep. Jammer, dat dit gebedel dat vroeger onbekend was in Nieuw-Guinea, steeds meer voorkomt. Maar ja, voorbeeld (van de IndonesiŽrs) doet volgen.

De volgende morgen waren we om 9 uur al op het vliegveld voor de vlucht naar Sorong. Eenmaal ingecheckt, liep ik nog even terug naar de vertrekhal om een flesje water te kopen. De politieagent die bij de deur zat te dommelen op zijn stoel, zag me niet weggaan. Een paradijs voor terroristen, dacht ik toen ik terugliep naar de hal waar de passagiers verveeld op stoelen hing, wachtend op het vertrek. Om 12 uur gingen we de lucht in. We volgden de kustlijn. Een prachtig uitzicht op de oerwouden en de blauwe zee. Na de landing in Sorong stapte een dikke vrouw luidkeels huilend uit het vliegtuig. Ze werd opgewacht door een menigte in het zwart geklede Papoea’s die Mamma!, Mamma!, naar haar riepen. Ze huilden allemaal tranen met tuiten, het was niet gespeeld. Wat een emotie, hier moest wel iets vreselijks zijn gebeurd. Opeens dacht ik aan de gebeurtenissen in Jayapura. Zou dat er iets mee te maken hebben? Maar even later schudde ik die gedachte uit mijn hoofd, en liep de ontvangstruimte in. De groep in het zwart geklede mensen met de dikke vrouw traden ook binnen, nog steeds luidkeels huilend en weeklagend. De andere aanwezigen keken ernaar met een mengeling van ontzag en medelijden. Men liet ze voorgaan in het gedrang om de koffers en even later waren ze verdwenen. Hotel Mariat is erg groot met betegelde gangen, een paar winkeltjes met snuisterijen en een kapperswinkel. Nadat we de koffers op onze kamer hadden laten brengen, gingen we naar de bar waar het warm was, en schemerig. De airco deed het niet. We werden in het Nederlands aangesproken door een Papoea van ongeveer onze leeftijd. Hij stelde zich voor als George, en vertelde onderwijzer te zijn geweest op een school. Het werd een leuk gesprek over de dingen die veranderd waren sinds de Hollandse tijd. Hij was in het bezit van een auto, en stelde ons voor de volgende dag met hem een rondrit te maken. Dat leek ons wel wat, en we spraken af. Daarna eerst naar de politiekazerne om ons te melden, en de Surat Jalan af te laten stempelen. Een groot, goed onderhouden complex rondom een grote exercitieplaats. Daar zat een gewichtig man, die ons bars mededeelde dat we het origineel daar achter moesten laten, en de volgende dag weer Straat in Sorongkonden komen afhalen. De andere morgen reden we met George door de stad. Hij gaf mistroostig toe dat er in Sorong niet veel te zien was. Dat klopte ook wel, veel auto’s en brommers en een hels kabaal. Slechte wegen met gaten. Veel vriendelijke mensen in stalletjes langs de weg die van alles (meest eten) verkochten. We reden naar de havenkant bij het ziekenhuis, waar we vroeger wel gezwommen hadden in zee. Het viel ons op dat het water veel hoger stond dan vroeger. De golven van de branding sloegen over de stenen wal die nog uit de Hollandse tijd stamde, en over de weg daarachter, ondanks dat er weinig wind was. Een vreselijke rommel, nog erger dan Hollandia. In een reisgids las Tom lachend voor, dat Sorong bestaat uit; “tien kilometer verroeste golfplaten daken”.

Nadat we een tijdje hadden rondgereden stopten we bij een Chinees restaurant om iets te drinken. Het was een grote kantineachtige ruimte verlicht door TL buizen. Het meubilair bestond uit formica tafels en dito stoelen. Aan een tafel zaten een drietal jonge vrouwen groenten schoon te maken. Ze lachten uitgelaten toen Tom ze op de video zette. Ik vroeg aan George, hoe het kwam dat zoveel kerken die ik had gezien, in vervallen staat verkeerde. Alleen een grote Katholieke kerk vlakbij het hotel bleek in uitstekende staat te zijn.
-Ja, antwoordde hij verlegen, we hebben te weinig geld om ze te onderhouden, en van de regering krijgen we geen geld. Ik ga elke zondag naar de kerk. Hij had negen kinderen, en zes kleinkinderen. Gezondheidszorg in Nieuw-Guinea was een groot probleem, vertelde hij. Vooral malaria eiste veel slachtoffers, vooral onder jonge kinderen. Er waren wel dokters, en ook een heus ziekenhuis, maar voor de gewone man onbetaalbaar en onbereikbaar. Na het eten, het was inmiddels donker geworden, liepen we nog even naar buiten. Naast het hotel was een soort supermarkt van twee verdiepingen. Beneden werden voornamelijk levensmiddelen verkocht, op de bovenste etage was textiel en kleding. We slenterden wat rond, en liepen uiteindelijk weer naar buiten. Daar was het druk met flanerende en rondhangende mensen, voornamelijk jonge mannen. We waren dť attractie van dat moment. Iedereen probeerde onze aandacht te trekken, door zachtjes Mister!, Mister!, te zeggen, en onze hand te schudden.
Er stopte een man op een brommer naast ons. Een echte Papoea met de kenmerkende haakneus en pikzwart.
-Zijn jullie Nederlanders?, vroeg hij in onberispelijk Nederlands.
Hij stelde zich voor als Johannes, hij was onderwijzer in een ver afgelegen plaats in het binnenland. We spraken af voor de volgende dag, in het hotel. De andere morgen liepen we naar de politiekazerne om de Surat Jalan op te halen. Toen we het exercitieterrein op liepen, was daar juist een oefening aan de gang. Een vijftigtal jonge gehelmde agenten achter grote doorzichtige plastic schilden en met een houten knuppel in de hand werden getraind om een menigte te verspreiden. Telkens bewogen ze zich met een sprong voorwaarts waarbij ze een strijdkreet brulden.

Een officier die voor de troep schreeuwde commando’s. We liepen langs de troep naar het kantoor van de politieman die onze Surat Jalan in zijn bezit had. Hij bleek er niet te zijn. Een vriendelijke jonge agent die toevallig langs liep vertelde dat hij de Surat wel in het hotel wilden bezorgen. Wij gaven het adres op, en liepen de kazerne uit. Verder lopend langs de weg naar een bank, kwam ons een grote menigte Papoea’s tegemoet. Ze zwaaiden met vlaggen en spandoeken (Papua Merdeka) onder het uitroepen van leuzen. Veel hadden, net als in Hollandia, gekleurde hoofddoeken om. Ze werden omringd door zwaar bewapende politieagenten in jeeps en op motoren.
Wij gingen aan de kant. Enkele demonstranten vroegen of we Belanda’s (Nederlanders) waren. Toen we bevestigend antwoordden, vroegen ze ons mee te lopen met de demonstratie. Ik legde ze uit, dat dat politiek gezien niet kon, omdat ik anders het land uitgezet zou worden. Teleurgesteld sloten ze zich weer aan bij de demonstatie aan, en liepen verder. Een motoragent reed naar ons toe, en vroeg ons wat we daar deden, maar we deden net of we geen Maleis begrepen, en ook geen Engels spraken, waarop hij doorreed.

Daarna maakten we een lange wandeling in de richting van de haven. Een veertigtal legertrucks vol geladen met militairen, reed ons voorbij in de richting van de demonstranten. Ervoor en erachter, motoragenten met gillende sirenes. Groepjes Papoea’s stonden zwijgzaam en somber langs de weg te kijken naar het machtsvertoon. Verderop liepen we door een kampong, toen opeens een jonge vrouw op ons toesnelde.
-Zijn jullie Belanda’s?, vroeg ze. Dan haal ik mijn vader, die spreekt goed Nederlands.
Even later kwam een man van een jaar of zestig lachend op ons af, en schudde ons de hand.
-Ik ben Fred, vertelde hij in goed Nederlands. Ik heb in de marinierskazerne gewerkt.
Een oud vrouwtje die naast me was gaan staan, streelde mijn arm en fluisterde verrukt tegen de mensen die bij haar stonden dat we Nederlanders waren.
-We hebben het slecht onder de IndonesiŽrs, zei Fred, en wees op zijn gescheurde tee shirt. We lijden armoede, en worden onderdrukt.
Ik dacht aan de legertrucks en de oefeningen in de politiekazerne en knikte.
-Waarom zijn jullie weggegaan?, vroeg Fred. Bij jullie hadden wij het goed.
Hij werd emotioneel, een traan droop uit zijn ooghoek en liet een glinsterend spoor na op zijn wang. Ik probeerde uit te leggen, dat het onder druk van de VN was geweest dat we Nieuw-Guinea moesten overdragen aan IndonesiŽ, wij waren liever gebleven.
-Nederland is maar een klein land, en kan niet op tegen Amerika, ging ik verder.
Fred keek me verbijsterd aan.
-Nederland een klein land?, herhaalde hij ongelovig. Nee, dat is niet zo. Nederland is rijk en machtig. Als jullie zouden willen, jagen jullie de IndonesiŽrs zo weg. Ik begreep, dat in de ogen van deze mensen Nederland nog steeds een wereldmacht was. Dat beeld zou nooit veranderen. Overal in Nieuw-Guinea zijn Indonesische emigranten druk bezig met hun zaken, winkeltjes, akkers en werkplaatsen. Grote Amerikaanse en Japanse ondernemingen roven het land en de zee eromheen leeg. Papoea’s kijken toe. Vůůr 1940 had Nieuw-Guinea geen enkel belang voor Nederland dat al zijn aandacht gefocust had op de kroonkolonie IndonesiŽ. Pas na het uitbreken van de tweede wereldoorlog en de onafhankelijkheid van IndonesiŽ, was er aandacht gekomen voor de Papoea’s. Alleen veel te laat. Je kunt een volk, al is het nog zů intelligent, niet in 50 jaar vanuit het Stenen Tijdperk in de westerse beschaving plaatsen. En nu, in de economische realiteit van vandaag, worden ze vermalen door de
papoeavrouw uit Sorongtijd.

Charles Darwin schreef al in 1836:
Overal waar de blanke een nieuwe kolonie heeft gesticht, zijn de plaatselijke zwarte inboorlingen weggejaagd of uitgestorven. En in Oost-IndiŽ heeft de MaleisiŽr de zwarte bewoners van de archipel voor zich uit gedreven.

Na een tijdje lopen, waren we de weg kwijt. Verderop ontmoetten we een tweetal Papoea’s.
-Weten jullie de weg naar hotel Mariat?, vroeg ik aan de langste van het tweetal.
Het was een man van ongeveer 30 jaar, gekleed in een blauw overhemd en een kakibroek en zag er netjes uit.
-Die kant uit, zei hij. Door de kampong, dat is de kortste weg.
-We lopen wel mee, stelde hij voor. Zijn jullie Nederlanders?
We liepen in ganzenpas de kampong in. De langste voorop, de rest daarachter. Het paadje was te smal om naast elkaar te lopen en slingerde zich langs de eenvoudige huisjes van de bewoners. Langs de kant zat een vrouw met een kind in de slendang. Ze verkocht betelnoten. Na een half uurtje, beklommen we een lage heuvel en keken uit op de grote weg die door Sorong naar het vliegveld loopt.
-Daar ligt het Mariat hotel zei de langste, en wees naar beneden.
Dan wil ik jullie bedanken, zei ik. Jullie hoeven niet verder mee te lopen, we vinden het nu zelf wel. Ik grabbelde in mijn rugzak naar geld, en hield hen elk 20.000 Rupiah voor.
-Nee, dank u, zei de kleinste beleefd. We nemen geen geld aan van Nederlanders.
Hoe ik ook aandrong, ze wilden het niet aannemen.
-Een paar sigaren dan, drong ik nog aan. Die lusten jullie wel. Ik wist hoe verzot Papoea’s zijn op tabak. Maar ook dat was verspilde moeite. Ze wilden niets aannemen. Ook stonden ze erop ons te vergezellen tot aan het hotel. Bij het hotel nodigde ik ze uit voor een drankje.
-Nee, dank u, zei de langste.
-Waarom niet, vroeg ik. Jullie kunt toch mee naar binnen gaan?
-Tidah boleh, (het mag niet) antwoordde hij verlegen.
Ik drong niet verder aan, het was duidelijk. Hier binnen waren ze niet welkom, en ze wisten het.

Ineens stond Johannes voor onze neus. We waren de afspraak al bijna vergeten, hij zou de vorige dag langs komen, maar was het vergeten. We namen hem mee naar de lobby van het hotel, waar het Indonesische personeel scherp naar hem keek, maar hem toch de toegang niet weigerde. Hij vertelde onderwijzer te zijn op een schooltje diep in het binnenland waar hij ook een weeshuisje bestiert. Er is een groot gebrek aan leermiddelen, speciaal leerboeken. Zelf had hij Nederlandse les gehad uit de leerboekjes waar de man uit Sorong het al over had: “Het Begin” en “De Paradijsvogel”. We stonden verbaasd dat hij nog zo goed Nederlands sprak, aangezien de overdracht van Nieuw-Guinea aan IndonesiŽ inmiddels ruim veertig jaar geleden plaatsvond.
-Ik spreek elke week in mezelf de hele dag Nederlands. Zo houd ik het bij, vertelde hij trots. Ik wil mijn leerlingen Nederlands leren. Daarom wil ik vragen of u mij Nederlandse leerboeken wilt toesturen.
-Maar je leerlingen kunnen toch beter Bahasa leren, wierp ik tegen. Aan Nederlands hebben ze niet veel. Niemand spreekt het meer.
-Daar vergist u zich in, zei hij ernstig. Er is veel belangstelling om Nederlands te leren. Vanuit het Nederlands leer je veel makkelijker Engels en Duits. En het is goed voor je ontwikkeling.
We beloofden hem om uit te kijken naar deze leerboekjes, maar vertelden er meteen bij, dat ze waarschijnlijk niet meer te koop waren.
-We worden onderdrukt door de IndonesiŽrs, die ons land leegroven, begon hij verder. Voor ons, en straks voor onze kinderen is er niets meer. Ze kappen het hout, en halen de bodemschatten weg. Hebben jullie die politiemacht gezien, om ons te onderdrukken?
Zo ging hij door, en wond zich steeds meer op. Zijn toon werd zo luid dat er mensen naar ons begonnen te kijken en ik hem tot kalmte moest manen. Later buiten vertelde ik hem dat hij moest uitkijken.

Onze gidsen naar het hotel in Sorong-Mensen luisteren mee en vertellen dat tegen de politie. Je moet voorzichtiger zijn, zei ik hem. Denk om je vrouw en kinderen.
De andere dag stapten we om 12 uur in de taxi die ons naar het vliegveld zou brengen voor de vlucht naar Makassar. Vandaar zouden we doorvliegen naar Menado. Het vliegtuig zou om 13.00 uur vertrekken, maar inmiddels waren we al zo gewend geraakt aan het Indonesische tempo, dat we ons niet haastten. Na het inchecken en het afgeven van de koffers streken we neer in de overvolle vertrekhal en zochten een plaatsje. Er was geen airco, enkel twee ventilatoren aan het plafond die een geweldige herrie maakten en de warmte verder verdeelden. De vlucht was prachtig. Eerst vlogen we over een azuurblauwe zee met hier en daar een eilandje en een paar atollen die je kon herkennen aan een ring van koraal rondom de eilandjes waar de branding op stuk liep. Paradijsjes, zeiden we tegen elkaar. Daar te wonen in een hutje, en niets doen dan wat vissen, en pisangs en klappers eten. Geen inkomstenbelasting, geen Hennie Huisman en geen zorgtoeslag. Ach ja, zo mijmert een mens wel eens wat…

Ondanks dat er een uur tijdsverschil is tussen Nieuw-Guinea en Sulawesi, hadden we de aansluiting naar Menado gemist, dus het eerste wat we deden was de ticket van Garuda voor de volgende dag laten overzetten. Natuurlijk werden we weer “besprongen” door kruiers en duistere figuren die ons van alles wilden laten zien, en overal voor konden zorgen. Bij de balie van Garuda trof ik twee jongelui die goed Engels spraken en die een goed hotel wisten niet ver van het vliegtuig.
-Hoe oud bent u?, wilde de een weten.
-Zesenzestig jaar, antwoordde ik.
Hij schudde verbaasd zijn hoofd.
-Belanda’s worden vast heel oud, zei hij terwijl hij me verbaasd aankeek.

Het hotel was prima voor een nacht. De badkamer was niks, een kuip met bruin water om je te mandiŽn en een soort schijtbak met bruine aanslag. Maar de kamer zelf had airco, en het hotel zag er netjes uit. Er was geen bier te krijgen dus aten we Fanta bij het eten. Gebakken vis, rijst en sajoer. Het is duidelijk warmer in Makassar dan bijvoorbeeld in Menado of Sorong. Een dikke stroperige hitte, die je in een oogwenk kletsnat van het zweet maakt. Om kwart over vier in de nacht werden we gewekt door een enorm gegil en gekerm van de moskee die tegenover het hotel staat. Gierende uithalen gevolgd door een soort gebrom dat weer overging in hysterisch gehuil. Soms was er een kleine pauze waarin we dachten dat het voorbij zou zijn, maar elke keer begon het gekerm overnieuw. We deden het licht aan, en gingen op de rand van de bed zitten. Slapen was onmogelijk, we sliepen aan de kant die tegenover de moskee ligt en kregen de volle laag. Pas na een uur stopte het gegil en konden we weer gaan slapen.
Om zes uur werd er geklopt.
-Wat nu weer?, zei Tom, en deed de deur open.
Het bleek het ontbijt te zijn dat werd gebracht door een schuchter glimlachend dienstmeisje.
De taxi arriveerde precies op tijd, en om 11 uur stegen we op voor de vlucht naar Menado. Het was weer een mooie vlucht met schitterend weer en een prachtig uitzicht over zee. Wat is dit eilandenrijk toch uitgestrekt. Toen we in Menado waren geland, en de kruiers van ons hadden afgeweerd, belde ik het hotel om te vragen of ze een taxi konden sturen. Ze hadden al op ons gerekend, maar dachten dat we met een latere vlucht zouden komen.
-Neem maar een taxi, maar niet duurder dan 60.000 rupiah, antwoordde de receptioniste.

Hotel in MakassarHetgeen prima lukte. Een oudere flegmatieke chauffeur bracht ons naar hotel Minahassa waar we neervielen in de lounge, en eerst een Bintang bestelden. Dat hadden we wel verdiend. Het was net een beetje thuiskomen. We hadden hier onze reis begonnen, en waren nu weer terug. We logeerden zelfs onze oude kamer. Het is hier schoon en netjes, de badkamer is armoedig met loszittende kranen en dito tegeltjes. Maar de kamer heeft airco, en is mooi. Goede bedden en een balkon met rotan stoelen en een prachtig uitzicht over de stad en de zee.
De volgende morgen een flinke wandeling gemaakt door het stadscentrum van Menado. Eerst even naar de bank om toch nog even wat rupiah’s te pinnen. Het is even uitkienen hoeveel we er nemen want Indonesisch geld overhouden is niet slim, het is in Nederland bijna niets waard. Daarna liepen we een straatje in dat in de richting van de kust liep. Daar stond een enorme shopping mall volgens Amerikaans voorbeeld. Langs de kust werd druk gebouwd aan iets dat een brede boulevard moest gaan worden, zoveel was wel duidelijk. Shovels en graafmachines reden af en aan. Vlak aan het strand was het rustiger. De branding spoelde sissend op het strand zoals het dat al sinds onheugelijke tijden had gedaan. Toch gek te bedenken dat Hollandse kooplieden van de VOC hier al in 1679 een verdrag hadden gesloten met de Minahassers voor het leveren van specerijen. De animistische Minahassers bekeerden zich tot het Christendom en werkten nauw samen met de Hollanders. Bij het ontstaan van de Indonesische republiek wilde de Minahassers zich aansluiten bij Nederland. Zij noemden zich “de Twaalfde Provincie” van Nederland. In 1958 brak er een opstand tegen de Indonesische regering uit. Die sloeg met harde hand terug en bombardeerde de stad. Dit is de reden dat het stadscentrum zo modern oogt.

Voor de kust van Menado ligt Pulau Bunaken Marine Park. Het is een duikparadijs met grote ongerepte koraalriffen die zich om de vijf eilanden en voor de kust uitstrekken. Het is uitverkoren het snelst groeiende toeristencentrum van IndonesiŽ te worden. Bij een oud vrouwtje die sigaretten verkocht, kocht ik acht pakjes Kretek sigaretten voor mijn dienstkameraden thuis. De tabak is vermengd met kruidnagelen waardoor er de typische prikkelende geur ontstaat, die je in IndonesiŽ bijna overal ruikt. Ze wist van de zenuwen het totaalbedrag niet uit te rekenen. Zoveel sigaretten had ze in ťťn keer nog nooit verkocht. Maar met de hulp van een paar omstanders lukte het uiteindelijk. Terwijl we verder liepen werden we aangesproken door een man van middelbare leeftijd die ons in het Hollands aansprak.
-Ik heet Johan, stelde hij zich voor. Ik ben een echte Minahasser.
Hij nodigde ons uit in zijn kantoor wat te drinken, en een praatje te maken.
-Als de mensen hier horen dat jullie Hollanders zijn, kun je geen kwaad meer doen, zei hij. Wij zijn wapenbroeders. We hebben de zelfde culturele achtergrond. We hebben schouder aan schouder gevochten tegen de IndonesiŽrs die ons wilden onderdrukken.
-Ik heb hier al een behoorlijk aantal moskeeŽn gezien. Zijn jullie niet bang dat hier hetzelfde gebeurt als op Ambon? Daar hebben gewapende moslims uit Java de
Hotel Minahasaburgeronlusten veroorzaakt ten koste van een heleboel geweld, vroeg ik hem
-Er is veel onrust onder de Minahassers, zei hij. Wij zijn bijna allemaal Christen. De moslims zullen hier geen kans krijgen. Dan ontstaat er een opstand net als in 1958, maar nu kan de regering op Java ons niet meer met een overwicht van wapens neerslaan. Ze hebben hun lesje wel geleerd op Oost-Timor. Daar moesten ze zich terugtrekken onder druk van de VN.
IndonesiŽ is nog niet rijp voor een democratie naar Europees model, hield hij ons voor. Dat zou hier averechts werken. Het volk is er nog niet aan toe. Een geleide democratie is voor de komende tijd het beste, met een geleidelijke overgang naar een vrije democratie. De huidige president is geen slechte. Ik hoop maar dat hij de touwtjes goed in handen houd.
Bij het afscheid stond hij ons op de stoep van zijn kantoor uit te zwaaien en riep met luide stem zodat voetgangers verbaasd omkeken:
-Leve de koningin!

De volgende dag bracht Robbie ons naar het vliegveld voor de reis naar Singapore. Hij beaamde dat er veel politieke onrust is in de Minahassa, maar wilde er niet verder over praten. Toen ik doorvroeg, zette hij de autoradio aan.
Het vliegtuig vertrok precies op tijd, en na een voorspoedige vlucht van ruim drie uur landden we op Singapore airport. Over de terugreis valt weinig bijzonders te vertellen. We stegen in het donker op, en het bleef donker tot we op Schiphol landden. Het vliegtuig was verduisterd, en de meeste passagiers deden een poging om te slapen. Mij lukte het niet. Ik zat nog te veel vast met alle indrukken die ik in de afgelopen weken had opgedaan.
Had de reis aan mijn verwachtingen voldaan, en was het de moeite waard geweest?
Wat me het meest had geraakt, was de zichtbare onderdrukking door de IndonesiŽrs van de Papoea’s. Geen genocide met bruut geweld, maar op een wijze zoals bijvoorbeeld met de Indianen in Noord Amerika en de Aboriginals in AustraliŽ is gebeurt. Een sluipende en onafwendbare aftakeling van een volk. Je cultuur en je eigenwaarde verliezen. Geen kans op scholing of op een baan. Een tweederangsburger zijn in je eigen land dat voor je ogen wordt leeggeroofd. Wanhoop.
Ik wist van te voren dat het geen gewone vakantiereis zou worden. Nieuw-Guinea is geen vakantieland. Het is een uithoek in de Indonesische archipel, ver van de bewoonde (Westerse) wereld. Niet veel van wat daar gebeurt verschijnt in de Westerse media. Niet interessant genoeg. Bovendien wordt het land door de IndonesiŽrs afgeschermd voor de vrije pers.
Is er dan niets positief te melden? Gelukkig wel, ik heb geconstateerd dat Papoea’s zich steeds meer bewust worden van het feit dat ze in eigen land geen factor van betekenis zijn. Het proces van politieke zelfbewustwording is in gang gezet, getuige de demonstraties in Jayapura en Sorong.
Binnen de Indonesische regering is een stroming ontstaan die inziet dat er een vorm van zelfbestuur voor de Papoea’s moet komen om een gewapend conflict in de toekomst te vermijden.
Te hopen is dat het prachtige volk van West-Papua op een mooie dag in de nabije toekomst de onafhankelijkheid zal krijgen die ze verdient.
Rest mij nog mijn trouwe vriend Tom te bedanken voor zijn relativeringsvermogen en zijn onverwoestbare Brabantse humor in die gevallen waarin niet alles echt meezat. (Evert, hebben we het goed?) De namen van de personen die we hebben gesproken zijn om duidelijke redenen gefingeerd.

Op 18 augustus 2008 is Tom plotseling overleden. Op 4 november van dat jaar zouden we elkaar 50 jaar kennen. Met de vrouwen erbij zouden we dit feestje vieren in een hotel. Het is er niet van gekomen. Ondanks het verdriet ben ik blij en dankbaar dat ik zo'n vriend heb gekend. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan hem denk en aan zijn vrouw en kinderen die hem zo node missen.

 

    Copyright © E.Schurink .Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.
Volgende hoofdstuk