De heenreis   |   Sorong   |   Hollandia   |   De jungle   |   De terugreis   |   Het weerzien   |   Gastenboek   |   Contact|   Fotoalbums

Terug naar Holland 1962

Het is gek, maar als je weet dat je tijd erop zit, en je gaat repatriŽren, dan word je toch ongeduldiger en we waren er ook erg mee bezig. Omdat ik voor de terugreis burgerkleren nodig had, (de mijne had ik verkocht bij aankomst in Biak) struinden we in Hollandia de winkels en toko's af naar iets geschiktst en eindelijk vond ik wat ik zocht. Op mijn militaire kakibroek droeg ik een kleurig HawaÔ shirt. Mijn lage zwarte schoenen eronder, en klaar was Kees! Als we terugvlogen was het zomer in Holland, dus wat wil je, dacht ik. En via de Zuidroute terugvliegen was geen probleem, daar was het overal warm. Alleen als we over de Noordpool terugvlogen zou ik wel eens heel erg koud kunnen krijgen, maar die gok nam ik.

Na verloop van tijd was het dan eindelijk zover. Op het publicatiebord stond een mededeling dat Ritsel, Stoop, Visser, Kees Plug, Fred, nog een paar anderen en ik overgeplaatst zouden worden naar Biak in afwachting van onze repatriŽring naar huis.   De tijd van afscheid nemen van de achterblijvers in het kamp was aangebroken. We hadden de kantine in bezit genomen, flink wat bier besteld bij Kees Kiviet, onze barman, en het feest kon beginnen. Naarmate we meer gedronken hadden werd de stemming steeds vrolijker en tenslotte een beetje sentimenteel, zodat Stoop opeens verkondigden dat hij niet naar huis wilde, terwijl de tranen hen in de ogen stonden. We lagen dubbel van de lach, trokken hem overeind en niet lang daarna was hij het voorval vergeten en opende met vernieuwd enthousiasme het zoveelste tinnetje bier. We werden zo luidruchtig dat de onderofficier van Super Constallationde wacht binnenkwam om ons een beetje tot stilte te manen, maar we waren niet tot bedaren te brengen. Ik denk dat de goede man de moed maar opgaf. Uiteraard was het niet zomaar een feestje, het waren jongens die naar huis gingen na anderhalf jaar dienst te hebben gedaan in Nieuw-Guinea. Het feest duurde tot diep in de morgen. We waren aan de ene kant opgetogen en blij dat we naar huis gingen, maar iets in ons zei dat we voorgoed afscheid namen van dit prachtige land en zijn bewoners. Het maakte dat je er een dubbel; gevoel bij had.  De hele rit naar het vliegveld in Sentani waar we zouden vertrekken wezen we elkaar op de plaatsen waar we wacht hadden gelopen, geoefend hadden, of hadden gepassagierd. Het vliegveld waar we zoveel hadden wachtgelopen.

De vliegtocht met de DC-3 van de Kroonduif verliep voorspoedig, In Biak werden we met een truck naar het kamp vervoerd en ondergebracht in de repatriŽringbarak. We hoefden zowaar geen wacht te lopen, en geen dienst te doen, zodat we languit luierden op het strand, zwommen in de baai, en 's avonds naar de kroeg gingen om te knokken met de commando's van de Landmacht. Een dagelijkse ontspanningsoefening waar met plezier naar werd uitgekeken. Aangezien wij, mariniers, met een grotere numerieke overmacht waren wonnen we meestal, waarop we de dag erna tijdens het likken van de wonden, trots op terugkeken.

We verwelkomden veel oude maten terug in Biak, in afwachting van de reis naar huis. Er waren jongens bij met wie we op de opleiding in Doorn en Sorong hadden gezeten, en die na de opleiding uitgewaaierd waren over Nieuw-Guinea. Het gaf aanleiding tot allerlei feesten, elke nacht gingen we blij maar onvast naar kooi. Ik ontving vanuit Nederland een postpakket van mijn moeder. Het bevatte een wit overhemd en een stropdas. Kennelijk was ze van mening dat mijn HawaÔ shirt niet zo geschikt was voor de terugreis. Een paar keer per dag liepen we vol verwachting naar het publicatiebord bij de kantine om te kijken of we al op de repatriŽringlijst stonden. Er stonden wel namen op van jongens die naar huis gingen, maar die van ons groepje niet. Ik maakte me er niet al te druk over, het enige wat me interesseerde was met welk type toestel ik terug zou vliegen en volgens welke route. De KLM had drie typen toestellen in gebruik voor intercontinentale vluchten; de Douglas DC 7C, de Lockheed Super Constellation en de nieuwe Lockheed Electra. Naar de laatste ging mijn voorkeur uit, het was Afscheidsfeestnamelijk een nieuw passagiers toestel dat aangedreven werd door turboprop motoren. Er waren ook twee routes die de KLM vloog naar Nederland. Er ging er een via de Noordpool, maar die kende ik al, zo was ik immers hierheen gevlogen. De andere route ging via de Zuidroute via India en Pakistan. Dat leek me wel wat, dan was ik immers rond de wereld gevlogen. Niet gek voor een eenvoudige boerenjongen. 

Er vond op dat moment een sterke opbouw van de Nederlandse strijdkrachten plaats in Nieuw-Guinea. Eenheden van de Koninklijke Land-en Luchtmacht kwamen de Koninklijke Marine versterken. Vanaf 1950 tot 1962 deden 25000 Nederlandse militairen dienst in Nieuw-Guinea. Van de Luchtmacht werd het 322 squadron met 12 Hawker Hunters dat gelegerd was op Soesterberg overgeplaatst naar Nieuw-Guinea. Later werden er nog eens12 Hunters verscheept die uitgerust waren met Sidewinder air-to-air missiles. De Koninklijke Marine stuurde het vliegdekschip Hr.Ms. Karel Doorman. De onderzeebootjagers Hr.Ms.Piet Hein en Hr.Ms. Overijssel werden afgelost door de onderzeebootjagers Hr.Ms. Amsterdam en Hr.Ms. Utrecht. In IndonesiŽ zat men ook niet stil met de opbouw van de invasiemacht. De Sovjets waren te hulp gekomen met zes onderzeeboten, 30 bommenwerpers en 2500 man personeel.  

Op zekere dag was het dan eindelijk zover. We stonden op de lijst. Ik zou op 27 Juli 1960 samen met Ritsel, Henk Weij en nog een paar anderen per “Super Connie” via de Zuidroute naar Nederland vliegen. Ik was niet ontevreden, wel geen supernieuwe Electra, maar wel een ander vliegtuig en een andere route. Het werd nu werkelijkheid. Het afscheid van Nieuw-Guinea was zoals elk afscheid weemoedig. Vroeg in de middag werden we met een VW busje van de Marine naar het vliegveld gereden om de lange terugtocht naar Nederland te aanvaarden. Vol ontzag keek ik op tegen de Lockheed Super Constellation van de KLM die ons terug zou vliegen. Het was een enorm toestel, de PH-LKG “Griffioen”. Het had de gestroomlijnde vormen van een dolfijn vond ik. Lang en slank met een iets gebogen rug, drie staarten en een lange neus. Vier Wright Cyclone motoren van 3250 PK per stuk. Propellers met een diameter van bijna 5 meter. Het startgewicht was 55 ton, inclusief 25000 liter brandstof. Het vliegtuig kwam uit AustraliŽ op weg naar Nederland en was voor een gedeelte al gevuld met passagiers. Ik kreeg een plaats achter een ouder stel AustraliŽrs en hun kleindochter. Ze waren van Poolse komaf en op weg naar Polen voor familiebezoek. Het meisje was ongeveer een jaar of tien. Ze kwam onmiddellijk naast me zitten en kletste honderduit. We werden zulke goede maatjes dat ze de hele lange weg naar Nederland naast me bleef zitten.

Terwijl de grote motoren haperend en onwillig aansloegen en brullend tot leven kwamen, had ik weer het zelfde opgewonden gevoel van avontuur dat ik had gehad toen ik van Schiphol vertrok. Het leek inmiddels wel een eeuwigheid geleden. Ik voelde me ontzettend bevoorrecht dat ik dit meemaakte in een tijd waarin een reisje naar de Veluwe een hoogtepunt was in het leven van de meeste mensen in Nederland. Toen het vliegtuig opsteeg en ik het land onder me zag verdwijnen moest ik denken aan mijn aankomst thuis. Ik was erg blij mijn ouders en mijn broers en zusjes weer terug te zien, ik had zelfs een zusje dat na mijn vertrek was geboren, en dat ik nog nooit had gezien. Ik keek eens om me heen in het vliegtuig. Net als in de Douglas DC7c waarmee ik naar De GriffioenNieuw-Guinea was gevlogen, had ook deze drie stoelen aan de bakboordkant, en twee stoelen aan de stuurboordkant, gescheiden door een gangpad. Verder was er weinig verschil, misschien dat de inrichting van dit toestel iets verfijnder was. We vlogen op een hoogte van 4600 meter met een snelheid van 435 km per uur over de Grote Oceaan, die ik door de raampjes van het vliegtuig donkerblauw zag glinsteren. We waren op weg naar Manilla voor de eerste tussenlanding, ongeveer zes uur vliegen. Wel iets anders dan op de heen reis met van die ontzettende lange vliegtijden. Boven de baai van Manilla zagen we de lange steigers die door de Amerikanen waren aangelegd tijdens de tweede wereldoorlog.

We maakten een mooie landing en zaten een kwartiertje later in het restaurant op de luchthaven aan een lunch die we ons best lieten smaken. De meisjes die ons bedienden waren erg mooi om te zien, en we deden erg ons best om hun aandacht te trekken. Dat lukte best, en toen we ontdekten dat we met ze konden praten in een mengelmoesje van Engels en Maleis was het feest kompleet. Het werd tamelijk luidruchtig, met veel gelach en geflirt. De andere (meest oudere) passagiers keken naar ons met een mengeling van afkeur en geamuseerdheid. Toen de stationsmanager ingreep was het snel gebeurd. De meisjes vluchtten giechelend de keuken in, en wij stonden op om weer aan boord te gaan voor de volgende etappe.

Na zeven uur vliegen landden we op het vliegveld van Bangkok. (Krung Thep) Het was bewolkt, het had er net geregend zodat grote plassen op het asfalt lagen. Het vliegtuig stoof door waaiers opspuitend water de landingsbaan af. Toen ik de vliegtuigtrap afliep sloeg de vochtige hitte als een natte dweil op me, zodat ik snel het koele stationsgebouw invluchtte. We kregen grote koppen gloeiendhete thee die we gretig naar binnen slurpten, dorstig als we waren. Ik ging ondanks de hitte naar buiten en maakte wat foto's van ons vliegtuig die inmiddels werd bijgetankt voor de volgende etappe. Het bekende ceremonieel van het starten van de vier motoren, onder het kuchend uitstoten van enorme zwarte rookwolken, vond weer plaats, en het toestel taxiede naar het begin van de landingsbaan om op te stijgen. In het vliegtuig kletste ik wat met het meisje en haar grootouders of legde een kaartje met de maten. Na het eten doezelde ik in, en werd wakker toen we in Calcutta landden. We hadden slecht vier uur gevlogen, het leek net het boemeltje van Purmerend vond ik. Het was nog steeds licht omdat we westwaarts vlogen “met de zon mee”. Het was een gekrioel van mensen op de luchthaven. Op de hekken langs het vliegveld zaten of hingen bedelende mensen die zacht murmelend en met naar ons uitgestoken hand, hoopten iets bij elkaar te schooien. Een gekoeld stationsgebouw was er niet, dus zaten we onder een overkapping thee te drinken die geserveerd werd door prachtig uitgedoste IndiŽrs. Het gezicht van de grauwe armoede van de bedelende mensenmassa vond ik afschuwelijk om te zien en ik was blij toen we weer naar het vliegtuig liepen om de volgende etappe te gaan ondernemen. Tijdens het taxiŽn naar de startbaan reden we langs eindeloze rijen armoedige hutten met naakte kinderen gekleed in vodden en schurftige honden.  

Het volgende vliegveld was New-Delhi waar we na ongeveer vier uur landden. Het was inmiddels donker geworden en we werden vervoerd per bus van de luchthaven naar het KLM hotel dat aan de rand van de stad lag. Het bestond uit een hoofdgebouw met aan weerszijden vleugels van geschakelde kleine witte tweepersoons bungalows in een mooie palmtuin. Het had een douche en toilet en Op het vliegveldwas geriefelijk ingericht. Ik werd door een schuifelende oude man met tulband naar mijn kamer gebracht. Ik sliep alleen, hetgeen ik, na twee jaar tamelijk intiem gezelschap van hoestende en snurkende maten te hebben gehad, helemaal niet erg vond. Ik gaf hem van mijn schamele tientje zakgeld een kwartje fooi, waar hij mij hartelijk voor dankte. Toen ik had gedoucht en de slaapkamer inliep ontwaarde ik tegen het plafond de grootste tjitjak die ik ooit had gezien. Het beest was minstens 15 cm lang. Ik naderde hem voorzichtig om hem niet weg te jagen, maar ook om te zien of het wel werkelijk een tjitjak was. Het beest keek me aan met twee gitzwarte oogjes of hij zeggen wilde; zolang ik hier ben heb je geen last van muskieten.

 Ik schudde uit voorzorg mijn klamboe goed uit, omdat zich daarin overdag muskieten verschuilen die zich vervolgens 's nachts aan je tegoed doen. Daarna ging ik naar het restaurant om het diner te gebruiken. Jawel, het diner. We werden als VIP's behandeld, en konden net zoveel eten en drinken van de heerlijke kerrieschotels met vlees, als we maar wilden. Achter elke stoel stond een zwijgende IndiŽr. Hij schoof voorzichtig de stoel onder je kont als je ging zitten, schepte je bord vol als je wilde eten, schonk je glas bij als je er iets uit had gedronken, en deed er van alles aan om zich nuttig te maken.De volgende morgen werd ik al vroeg door de bediende gewekt en ik ging naar de eetzaal voor het ontbijt. Daar zaten inmiddels bijna iedereen al aan tafel en vlug schoof ik tussen Ritsel en Henk in, die een plaatsje voor me hadden opengehouden. De gezagvoerder ging staan en verzocht om stilte voor het gebed. In die tijd reisde je als gezelschap inclusief de bemanning als gezelschap naar Schiphol. Zaken die in deze tijd ondenkbaar zijn geworden. Toen we met de bus naar het vliegveld vertrokken zag ik in het daglicht dat het landschap er veel groener uitzag als in Calcutta. Ook leek het wel minder heet te zijn. Grote palmen met brede bladeren stonden langs de oprit naar het hotel en in de groene tuinen waren borders vol met kleurige bloemen. Verderop in de buurt van het vliegveld werd het uitzicht echter steeds armoediger en zag je het bekende tafereel van in lompen gehulde mensen die langs de stoffige straten sloften. Vervallen grauwe huizen, en op de stoepen stalletjes waar handelaars allerlei waren hadden uitgestald.

Na een vlucht van iets meer dan twee uur landden we in Karachi in Pakistan. We kregen een lunch aangeboden in een restaurant dat op Engelse koloniale stijl was ingericht. Veel glimmend gepoetste teakhouten stoelen en tafels, hertengeweien aan de muur, en olifantslagtanden als versiering gedrapeerd op de met Perzische kleden bekleedde vloer. Ook hier veel in lokale dracht uitgedoste bedienden die voortdurend om ons heen slopen om zelfs de kleinste wensen ogenblikkelijk te kunnen vervullen. En buiten tegen de hekken van het vliegveld dezelfde armoedige massa in lompen gehulde mensen die zich vergaapten aan ons, in hun ogen, rijke blanke Westerlingen. Toen we weer opstegen was dit voor een langere tocht. Niet meer als een boemeltreintje van het ene stationnetje naar de andere op weg naar huis, maar een heuse vliegtocht van wel acht uur! We waren op weg naar Beiroet, de hoofdstad van Libanon. Het vliegtuig was voor deze langere tocht tot de nok toe volgetankt en stoof brullend over de stoffige startbaan om snelheid te winnen voor het opstijgen.
Ik probeerde wat te slapen, maar het getril en gedreun van de motoren maakten dit onmogelijk. Bovendien was ik niet moe, door de korte etappes kreeg je volop gelegenheid de benen te strekken. Dat was wel even wat anders dan op de heenreis. Toen was de langste etappe over de Noordpool negentien uur aan ťťn stuk. Ik raakte aan de praat met het echtpaar die achter me zat. Hij was soldaat geweest in het Poolse leger toen de oorlog uitbrak. Na veel omzwervingen was hij in Engeland terechtgekomen en had dienst genomen in een Pools regiment die in Engeland werd opgeleid voor de strijd tegen de Duitsers. Na de landing in NormandiŽ was hij al vechtend Europa doorgetrokken. Toen de oorlog was afgelopen emigreerde hij naar AustraliŽ waar hij zich een bestaan had opgebouwd als loodgieter. Ze waren genaturaliseerd tot AustraliŽrs en waren nu met hun kleindochter op weg naar Warschau voor familiebezoek.

 In BeirutMet ons reisde ook een zendeling met een lange geel/witte baard terug naar Nederland. Hij was gekleed in een veel te groot versleten grijs pak waarin hij zich onbeholpen voortbewoog, en zag eruit als een iemand van negentig jaar oud. Hij was heel lang in Nieuw-Guinea geweest, trekkend van kampong naar kampong. Van een paar missiezusters die met hem meereisden, hoorde ik dat hij de gewoonte had om met een ezeltje het oerwoud in te trekken om de mensen in aanraking te brengen met het geloof. Het ezeltje was beladen met geneesmiddelen en andere nuttige dingen waarmee hij de Papoea kinderen tegen allerlei infectieziekten behandelde. Hij was zo onbaatzuchtig bezig dat hij totaal vergat ook voor zichzelf te zorgen. Het gevolg was dan ook dat hij na een paar maanden van rondreizen totaal uitgeput en ziek in de bewoonde wereld terugkeerde. In Hollandia waar de rooms-katholieke zusters hem liefdevol opnamen herstelde hij weer, na ontluisd, ontwormd, en ontvuild te zijn. Ook zijn ezeltje ontving dezelfde liefdevolle behandeling. Wanneer hij weer op zijn voeten kon staan was hij niet meer te houden en vertrok weer naar de kampongs om de meest arme mensen te helpen. Prediken deed hij niet, simpel omdat hij niet met de mensen kon praten. Vaak heeft elke kampong zijn eigen dialect of zelfs een taal, ondanks dat ze soms maar een paar dagen lopen van elkaar liggen. Hij beleed zijn geloof met de daad en dwong onder ieder die hem kende een groot respect af.

We vlogen voor het grootste gedeelte over de kale bruingele woestijngebieden van Rajastan, Iran en Irak, soms over gebergten die het land een pokdalig aanzien gaven. Veel was er niet te zien, alleen toen we over de Perzische Golf vlogen en de eentonigheid van het landschap onderbroken werd door het blauwe water, werd de belangstelling weer gewekt. Daarna volgde weer dor bruin land, soms afgewisseld door steden en dorpen die we heel duidelijk konden zien liggen in het felle zonlicht. Ik doodde de tijd door een kaartje te leggen met de maten en over onze thuiskomst te praten. Sommigen onder ons hadden verkering toen ze naar Nieuw-Guinea werden uitgezonden en hadden hun geliefde al langer dan een jaar niet gezien. Voor jonge mensen veel te lang. Het gebeurde regelmatig dat een meisje het per brief uitmaakte omdat ze een andere jongen had ontmoet. Degenen die het overkwam reageerden allemaal anders. Er waren erbij die zich vreselijk in de steek gelaten voelden en depressief werden. Anderen gooiden de kop in de wind, dronken zich een stuk in de kraag, en zochten vertroosting bij de meisjes in de kampong.

Het vliegtuig zette de daling naar het internationale luchthaven van Beirut in, en kwam met een bons op de landingsbaan terecht. Toen we de vliegtuigtrap afliepen viel het me op, dat alles er zo modern uitzag. Voor het hoofdgebouw dat vier verdiepingen hoog was, en zich uitstrekte langs de landingsbaan, waren perken met groene struiken en bloeiende bloemen die het geheel een fleurig aanzien gaven. In het restaurant wachtten we bij een kop koffie tot het vliegtuig weer was volgetankt en we onze tocht zouden kunnen vervolgen. Een gek idee, dat ik over twaalf uur thuis zou zijn, en mijn ouders en broers en zusjes weer zou zien. Het gaf een idee dat we nu al dicht bij huis waren. Toen er na twee uur nog geen aanwijzing was gegeven dat we het vliegtuig weer in konden, begonnen we wat ongeduldig om ons heen te kijken en ontstond er enige ongerustheid onder de groep passagiers. Bemanningsleden liepen ons haastig voorbij en gaven geen antwoord op vragen die gesteld werden waarom we niet opstegen. Na nog een uur verscheen de gezagvoerder die ons vertelde dat het vliegtuig aan de grond moest blijven omdat een van de motoren problemen gaf. We zouden worden ondergebracht in een hotel in de stad terwijl de motor werd gerepareerd. Het kon wel even duren, waarschuwde hij, de storing was nogal ernstig.

We keken elkaar min of meer overdonderd aan. Wat was dit nu? In een hotel in Beirut overnachten? Ik zag er wel voordeel in. Onderweg in New-Delhi hadden we al in een hotel gelogeerd en dat was me best bevallen. Een beetje luxe was nooit weg toch? Er reed een touringcar voor die ons naar het hotel in de stad zou brengen, de koffers werden ingeladen en daar gingen we. De weg naar de stad voerde door een woestijnlandschap met bruin zand. Heel anders dat ik me had voorgesteld van een woestijn. Ik had altijd gedacht dat het geel zand zou zijn. Beirut was een mooie stad met hoge witte gebouwen aan brede lanen. Hotel Riviera lag aan een brede boulevard en keek uit over de zonovergoten Middellandse zee. We werden ontvangen in de lobby van het hotel en ik kreeg een kamer toegewezen die ik deelde (hoe kon het ook anders) met Ritsel. Grappig vonden we dat we onze hele diensttijd samen hadden doorgebracht, op een korte periode na, dat hij op de “Kaloekoe” had doorgebracht tijdens een tour naar Merauke aan de zuidkust van Nieuw-Guinea.

We kregen een heerlijk diner voorgeschoteld in de eetzaal die aan de voorkant van het hotel lag en uitkeek op de boulevard. Het was een grote koele ruimte met witte wanden waaraan moderne schilderijen hingen die het geheel iets voornaams en moderns gaven. Grote palmen stonden in geglazuurde potten langs de lange wanden. De tafels en stoelen waren in vierkanten geplaatst, en gesepareerd door grote Oosterse kamerschermen. Het voorgerecht werd opgediend door drie obers uit een soort rijdende tafel met bladen op verdiepingen. Als er iets uit de onderste verdieping werd uitgekozen, draaiden de obers met een handel de bladen om, zodat het onderste dan boven kwam te liggen en er makkelijk uitgeschept kon worden. Toen de obers bij de tafel kwamen waaraan de zendeling met de witte baard zat, schrok deze zo van het omdraaien van de bladen dat hij van tafel opsprong en ze tegen wilde houden. Het hele plateau met bladen viel onder luid gekletter van brekend aardewerk op de parketvloer. De inhoud spetterde tegen de witte wanden en over de kleding van de aanzittenden en de kelners die verschrikt opzij sprongen. Het was een drama. Kelners liepen geagiteerd af en aan met zwabbers en dweilen om de vettige brei van de vloer en de tafels te verwijderen, aangevoerd door een brullende hotelmanager die zenuwachtig heen en weer sprong. Wij zaten met open mond het schouwspel aan te zien. De zendeling zat ten prooi aan opperste wanhoop met gekruiste armen voor zijn gezicht op een stoel terwijl hij door wel drie nonnetjes getroost werd.

Later werd er meegedeeld dat de KLM aanbood om per touringcar een rijtoer door de stad te maken. Daar maakten we natuurlijk wťl graag gebruik van. Het werd een hele mooie dag. We bezochten diverse oude monumenten en restanten van Romeinse nederzettingen waaronder een circus. Bij het verlaten van het complex werden we benaderd door bedelaars waaronder een gebogen oud vrouwtje met een hoofddoek om. Ik had niets om te geven, behalve een dubbeltje dat ik in mijn broekzak vond. Ik drukte het in haar uitgestoken hand. Ze keek ernaar gooide het met een woedend gebaar in mijn richting, schraapte haar keel en spuwde een grote klodder naar me. Het mistte me op een haar na. Onder luid gelach van de maten maakte ik me snel uit de voeten voordat ze nog meer verrassingen voor me in petto had.

Ik hielp het hopen, we waren nu wel erg lang onder weg voor mijn gevoel. Ik hoopte maar dat de marine zo netjes was geweest om mijn ouders in te lichten dat mijn thuiskomst was vertraagd. Bij thuiskomst bleek dit inderdaad zo te zijn, ze waren prima op de hoogte gehouden van onze belevenissen door middel van telegrammen uit de van Braam Houckgeest kazerne te Doorn. In die tijd had je natuurlijk nog geen internet of teletekst waarop je de vertrek en aankomsttijden kunt aflezen. De meeste mensen waaronder mijn ouders, hadden ook geen telefoon. Dat kwam pas later. 
Na een tussenlanding in Rome stegen we weer op voor naar we dachten de laatste etappe naar Holland, maar dat veranderde onderweg toen we hoorden dat we ook nog een tussenlanding in Frankfurt zouden maken. Een moedeloos gesteun klonk op bij de bekendmaking van de gezagvoerder. Hierbij vergeleken was het Purmerendse boemeltje een sneltrein. Over de Alpen hadden we vreselijk slecht weer zodat we de riemen moesten vastmaken. Eťn angstig moment maakte we nog mee toen we, voor ons gevoel, rakelings over een hoge besneeuwde bergtop scheerden. Het weer was zo ruw dat je de toppen van de vleugels, waaraan de langeafstandstanks hingen, naar boven en beneden zag buigen bij elke nieuwe klap die het vliegtuig kreeg. De passagiers, waaronder ikzelf, zaten stil en gespannen te wachten tot we het slechte weer hadden gepasseerd. De kotszakjes werden uitgedeeld en weer (warm en vol) opgehaald door de stewardessen die zich moesten vasthouden aan de stoelen om hun evenwicht niet te verliezen. Maar ook dit ging voorbij en met een zucht van opluchting stapten we op de luchthaven in Frankfurt uit het geteisterde toestel.

Toen we eindelijk boven Nederland vlogen en naar beneden keken, was ik weer thuis. Zo vertrouwd. De weilanden, de groentekassen, de sloten en kanalen die zich kaarsrecht uitstrekken in het vlakke land. De Poolse vrouw die achter me zat boog zich naar voren en zei dat ze Holland heel mooi vond vanuit de lucht. Ik kon niet anders dan het beamen, het leek zo groen en geordend vanuit de lucht dat het wel een prentbriefkaart leek. Heel anders dan de blauwe Stille Oceaan, de bruingele woestijnen of de woeste gebergten waarover we gevlogen waren. Dit was thuis, ůns land. De eerste die ik zag toen ik de stationshal binnenliep, was mijn vader. Hij stond aan de andere kant van een glazen wand en huilde geluidloos terwijl de tranen hem over de wangen liepen. Terwijl in naar hem keek voelde ik zo,n medelijden met hem dat ik het haast ook te kwaad kreeg. Daar stond ik nu, met mijn weekendtas in de ene hand, en in de andere hand een bundel pijlen die ik meegenomen had als souvenir. Ik realiseerde me ineens hoe ze me gemist hadden. Mijn moeder die me elke week trouw een brief schreef. Mijn vader die nu uit blijdschap en opluchting stond te huilen. Mijn broers en zusjes. Ik had natuurlijk ook wel aan ze gedacht, maar met het relatieve egoÔsme die de jeugd eigen is, van me afgeduwd. Er waren veel interessantere dingen te beleven om aan thuis te denken en heimwee te hebben. Mijn broer Gert die me ook had uitgezwaaid stond breedlachend op te wachten en stompte me oudergewoonte op de schouder in zijn manier van welkom heten. Mijn jongere broers Arend en Piet, een tweeling, stormden op me af en waren met hun elf jaar nog kind genoeg om me een zoen te geven. Mijn vader stond het van een afstandje door zijn tranen lachend, aan te zien. Daarna trok hij me tegen zich aan. Ik was verbaasd te merken dat ik een kop groter was dan hij, en dat zijn haar grijs was geworden. Mijn moeder en mijn zusjes waren thuis gebleven. Toen ik de kamer binnenstapte vloog ze op me af en huilde zo, dat ik het er benauwd van kreeg. Ik klopte maar onhandig op haar rug, en streek door heur haar, maar ze bedaarde pas toen tante Nel, een vriendin van haar, mij mijn jongste zusje Ansje in de handen duwde met de woorden; Wat vind je van haar?  Ansje was geboren terwijl ik in Nieuw-Guinea was, dus ik had haar nog nooit gezien. Mijn moeder was razend op tante Nel, omdat ze haar jongste kind zelf aan me had willen geven. Ik begreep het wel, daar had ze al die tijd op gewacht en me steeds geschreven hoe voorspoedig Ansje wel opgroeide. Maar wat gebeurd was, was gebeurd, en even later zat ik aan de koffie en de zelfgebakken appeltaart van mijn moeder die me zeer vertrouwd en heerlijk smaakte.              
 

Volgende hoofdstuk

Copyright © E.Schurink .Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.