De heenreis   |   Sorong   |   Hollandia   |   De jungle   |   De terugreis   |   Het weerzien   |   Gastenboek   |   Contact|   Fotoalbums

Naar Sorong in de Vogelkop

De volgende dagen mochten we steeds langer naar buiten tot we volledig geacclimatiseerd waren en in sportwitje en korte broek buiten mochten lopen. Ook kwamen er met elke vlucht vanuit Nederland steeds meer mariniers binnen tot ik op het laatst weer bijna al mijn oude maten uit Doorn om me heen verzameld had. Aangezien we lichte dienst hadden, leidden we een betrekkelijk rustig leven. Na het baksgewijs en ontbijt gingen we zwemmen in de baai. Vanaf de steiger doken we er zo in, het water was kristalhelder en lekker warm. De stranden waren van een heel fijn spierwit zand. Later zou ik leren dat het koraalzand (karang) was. Als je een wondje aan je voeten had, of je stootte je voeten tegen een stuk karang, kon je hele gemene tropenzweren oplopen. Op de stranden langs de hele baai lagen veel gestrande en zwaar verroeste Amerikaanse landingsschepen uit de Tweede Wereldoorlog. De Amerikanen hadden ze gewoon achtergelaten. Later zouden we nog meer van dergelijke overblijfselen uit de oorlog zien.

Na een week kwam aan dit rustige leventje een einde toen we ons inscheepten op de Hr.Ms.Piet Hein, een oude torpedobootjager uit de tweede Wereldoorlog die ons naar Sorong zou brengen waar we een opleiding zouden krijgen tot wapenspecialist. Handenwrijvend en breed grijnzend stond de bemanning ons op te wachten. We werden onmiddellijk ingeschakeld voor dienst. Wachtlopen als uitkijk, de kok helpen in de keuken met afwassen, toiletten boenen en dek schrobben. Het schip had natuurlijk geen accommodatie voor ons zodat we na vast werken maar een plekje moesten zien te vinden aan boord. Dat betekende dat we overdag aan het werk waren en ’s nachts maar ergens een plaatsje moesten zien te vinden waar je niet in de weg lag. Aangezien het dan op zee flink koud is, waren de ijzeren tralies van de machinekamer waar warme lucht uit opsteeg, favoriete plaatsjes om te slapen. Lang hield je het daar niet uit van de pijn in je heupen en schouders.

Zolang het licht was waren de dagen goed door te brengen. Sommige jongens lieten hun haar door de scheepsbarbier millimeteren. Onder luid gejoel werden ze door de rest van de maten ontvangen. Tussen de dienst door speelden we kaart of keken ademloos in het rond. Het was een schitterend gezicht. Aan bakboord de lange donkerblauwe bergachtige kust, aan stuurboord het diepblauwe water van de grote oceaan met de vliegende vissen die opgeschrikt werden door het schip, en sierlijk als vogels over de golven zweefden. Dolfijnen speelden rond de boeg van het schip en hielden ons urenlang gezelschap. Op een nacht werden we ruw uit onze slaap opgeschrikt door het gebulder van het scheepsgeschut. Het waren de luidste knallen die ik ooit had gehoord en het hele schip sidderde ervan. In de veronderstelling dat we op een vijandelijk schip waren gestuit, renden we naar dek maar daar stond niemand. Het bleek dat er ergens in de buurt een scheepswrak lag dat beschoten was bij wijze van oefening als het schip er langs voer.

Na twee dagen bereikten we de haven van Sorong. Een manshoge steiger van ruwhouten boomstammen stak uit het water en via een gammele trap bereikten we de vaste wal. Lage gebouwen met zinken daken stonden tussen de roerloze palmen. Op het strand dat bezaaid was met brokken koraal renden rode krabben rond. Op de kade stonden enkele Papoea's het allemaal aan te zien. Ze hadden harde felle koppen met haakneuzen waardoor botjes staken. Een heel ander soort mensen als degene die ik in Biak had gezien. De stad ligt in de Vogelkop en is de meest Westelijke plaats van Nieuw-Guinea. We werden in trucks geladen en naar het kamp gebracht dat een flink eind rijden van de stad lag. Het bleek een vrij uitgestrekt kamp te zijn waar een versterkte compagnie van ongeveer 400 mariniers was gehuisvest. Ik werd in een barak gehuisvest samen met Stapert, Henk Weij en Sjaak Schouten. Oude maten die ik allen natuurlijk vanuit Doorn kende. Onze directe meerderen waren sergeant Bakker en korporaal Huijberts. In de barak lagen verder nog zes oudgedienden en een matroos/duiker van de Marine. De barak had geen ramen vanwege de hitte, boven onze (stapel) bedden hing een klamboe. Het was wel even wennen om zo weer deel uit te maken van een strak gereglementeerde eenheid, en het kader liet er geen gras over groeien om de disciplinaire touwtjes weer strak aan te halen. Ikzelf,Akkie en Jelle

Ik was ingedeeld bij een mortierpeleton en zou dus een opleiding tot mortierist krijgen. Een mortier is eigenlijk niets anders als een korte kanonsloop die op een onderplaat en een tweepoot steunt. Boven in de loop laat je een granaat vallen die op een afvuurpen onder in de loop valt. De granaat wordt afgevuurd, verlaat de loop, en komt met een grote boog weer naar de grond waar hij ontploft. Door de loop op en neer, en zijdelings te laten zwenken (baksen) kun je de afstand en de richting tot het doel bepalen. Ook kun je extra zakjes kruit aan de staart van de granaat bevestigen om het bereik te vergroten. We hadden twee typen, het 60 mm mortier en het 81 mm mortier. Het kleine mortier heeft een bereik van 3 km, de grote tot 5 km. Bij het mortier hoorde een bemanning van vijf man. Een schutter, een helper (die de granaten erin gooide) en drie munitiedragers.

Elke dag gingen we onder leiding van de korporaal naar een grasveld waar we de mortieren opstelden en gingen oefenen. Dat ging tot in het oneindige door, zodat ik alle moeite had om op te blijven letten. Dat opletten was wel nodig, want de korporaal had ogen in zijn achterhoofd en zag alles. En als hij even die ogen sloot stond sergeant Bakker wel op te letten. Naderhand gingen we naar de schietbaan waar we met gietijzeren oefengranaten op denkbeeldige doelen schoten. Ze ontploften niet, maar ze verlieten wel de loop met een oorverdovende knal. Eindelijk kwam de dag dat we echt gingen schieten. We reden naar de haven en werden met een Zodiac rubberboot naar het eiland Jefman gebracht. Op dat eiland bevond zich ook het vliegveld, een voormalige Amerikaanse vliegbasis uit de tweede Wereldoorlog. Ik keek nieuwsgierig om me heen. Het was de eerste keer dat ik echt buiten was. In Biak waren we het kamp niet af geweest, evenals in Sorong, terwijl ik vanaf de Piet Hein het landschap vanuit de verte zag. Het was verpletterend mooi en indrukwekkend. Achter ons de donkere bergen begroeid met oerwoud van de Vogelkop. Voor ons een azuurblauwe zee, en prachtige tropische eilanden omzoomd met hoge klappers. De korporaal wees ons de eilanden Doom en het onbewoonde Krokodillen eiland. De rubberboot maakte vaart en steigerde op de golven zodat we ons stevig moesten vasthouden. Bij elke duik in een golfdal spoot het water op en vloog ons om de oren.

Op het eiland aangekomen, liepen we zwaar bepakt met granaten en mortieren naar het einde van het vliegveld waar we een doel in de vorm van een klip in zee zouden beschieten. Ik keek mijn ogen uit. Langs de startbaan lagen tientallen wrakken van Japanse vliegtuigen die door de Amerikanen met bulldozers aan de kant waren geschoven. De verf was er door de zon inmiddels af gebrand, en het aluminium schitterde fel in de zon. Ik herkende diverse typen vliegtuigen zoals Zero's en Betty's. Voorlopig kon ik er niet aan denken dit alles te bekijken, hoezeer ik er ook naar popelde. Er moest geschoten worden. Nu vond ik dat niet erg, want schieten is altijd wel leuk, het is beter als wachtlopen of schoon schip maken. Tijdens een pauze in het schieten kreeg ik de kans er tussen uit te knijpen en scharrelde rond tussen de vliegtuigen. Ik ging zelfs in een Zero zitten en vond het toestel verbluffend klein, maar toen ik achter in de staart van het vliegtuig iets hoorde ritselen en omkeek, zag ik een reusachtige groene leguaan van wel 40 cm lang, (kaki ampat) die daar kennelijk woonde, en boos tegen me siste, met zijn gevorkte tong uit de bek. Ik klom haastig uit het vliegtuig en keerde terug naar mijn maten.

Japanse vliegtuigwrakken op Jefman

Ook landingsoefeningen met de rubberboten op de kust. Meestal gingen we naar het Krokodilleneiland, maar ook voeren we landingen uit de vele andere onbewoonde eilandjes. Eerst moesten we leren de boten op te zetten en op te pompen. Eindeloze oefeningen volgden. Er zat een houten frame in en het kon acht mariniers met bepakking vervoeren met een snelheid van 60 km per uur. Eenmaal te water, vlogen we recht op het strand af, waarbij op het laatste ogenblik de motor werd opgetrokken. Het gaf een enorme klap, en we schoven wel vijf meter het strand op. Dan vlug eruit springen, over het strand naar de bosrand rennen en daar in stelling gaan. De oefeningen gingen weken achter elkaar door, zodat we op het laatst in minder dan twee minuten na de landing al in stelling lagen. Op een vrij weekend gingen we met een bootje van de marine naar Jefman om daar te gaan zwemmen. Eerst lagen we aan het strand, maar het zwemmen was lastig omdat je eerst over het drooggevallen koraal moest strompelen om bij de zee te komen. En als je eenmaal in zee lag, was je er nog niet zo makkelijk uit. Het koraal waaraan je moest optrekken was vlijmscherp en je moest oppassen voor wondjes want koraal is giftig. Je kreeg er wonden van die moeilijk genazen. Later ontdekten we een stuk verder een inham in zee met steile oplopende kanten waar je prima vanaf kon duiken. Dat hadden we een tijdje gedaan, totdat iemand voorstelde een strootje te gaan roken op de rotsen aan de kant. Even later zaten we tevreden rokend en kletsend op de rotsen en keken uit over de zee. Opeens sprong een van de jongens op, en wees sprakeloos naar beneden in de inham. Een enorme haai van zeker vier meter lang met zijn driehoekige rugvin boven water, zwom zoekend de inham in, draaide een paar rondjes en zwom weer naar zee terug. Die dag hebben we maar niet meer in zee gezwommen. We waren flink geschrokken.

We kregen een vervolg op het uitvoeren van landingen met de rubberboten. We moesten vanaf een landingsschip van de Marine al varende rubberboten lanceren die dan met grote snelheid landingen bij verrassing moesten uitvoeren. Eerst moesten we op het dek de rubberboten in elkaar zetten en oppompen, vervolgens werd de motor er op bevestigd. Daarna werd er een driehoekig hijsraam overheen gelegd en vastgemaakt met harpsluitingen. De boot werd met een davit opgetakeld en buitenboord gedraaid. Een korporaal ging achterin de boot zitten en startte de motor, terwijl een marinier voorin ging zitten voor het evenwicht en om een lijn die aan het schip was bevestigd vast te houden om te voorkomen dat de boot ging draaien in de wind. Daarna werd de boot naar beneden gevierd tot hij op het water lag. De kunst was om hem even snel te laten varen als het schip zodat je boord aan boord voer. Het hijsraam werd losgekoppeld, de overige mariniers gingen met touwladders aan boord van de rubberboot en de boot stoof weg over de golven. Tijdens deze oefeningen werd de snelheid steeds verder opgevoerd zodat op het laatst binnen 10 minuten zes rubberboten met in totaal 48 mariniers uitwaaierden van het schip en een verrassingsaanval uitvoerden op de kust.

Op een dag waren we ook weer bezig met deze oefeningen. Ik was aangewezen om voorin de boot de lijn vast te houden terwijl we naar beneden werden gevierd. De korporaal had net de motor gestart, ik stond voorin met de lijn in mijn handen toen ineens de voorste lijn afbrak en de boot voorover de zee in dook. Aangezien het schip zeer snel voer op dat ogenblik, sloeg de rubberboot over de kop. Net voor dat gebeurde schreeuwde de korporaal tegen me; duiken! Ik dook overboord en zwom stijl naar beneden om het schip te ontwijken. Het voer over me heen, en ik hoorde het roffelen van de beide schroeven. Toen ik weer boven kwam keek ik om me heen en zag het schip dat een heel eind verderop van me weg voer. Verbaasd merkte ik dat ik zelfs mijn karabijn nog in mijn hand had. Ook had ik mijn pack (rugzak) nog om en mijn koppel met munitie en veldfles. Ik lag midden in zee. In de verte zag ik vaag het vasteland als een blauwe reeks bergen met witte wolken er boven. Verder alleen water om me heen. Als alleen je hoofd maar boven de golven uitsteekt kun je niet ver kijken, soms als ik op de top van een golf dreef had ik wat uitzicht. Als je in een golfdal was zag je alleen maar blauw water om je heen. Eerst was ik teveel bezig met mezelf drijvende te houden, maar naderhand besefte ik dat ik midden in haaiengebied lag. Ze komen daar veel voor, en angstig dacht ik terug aan de zwempartij op Jefman. Het zal je toch niet gebeuren dat ze je pakken dacht ik, en probeerde door mijn hoofd onder water te houden onder me te kijken in de blauwe diepte. Maar ik zag niets anders dan lichtblauwe naar diepblauwe en zwart overgaande duisternis zodat ik dat idee maar opgaf. In gedachten zag wat een haai van uit de diepte van de zee zou zien als hij me zag. Twee benen watertrappend aan de oppervlakte. Een lekker beetgaar hapje.

Na zeker een half uur hoorde ik het geluid van een buitenboordmotor. Ik zwaaide uit alle macht met mijn karabijn om ze te laten zien waar ik was. Ik hoorde ze in kringen om me heen varen en roepen. Ik schreeuwde uit alle macht terug en even later waren ze bij me. Ik werd onder mijn armen beetgepakt en met zo'n vaart uit het water getrokken dat ik mijn hoofd stootte aan een scherpe rand van het hijsraam dat nog steeds op de boot lag. Mijn maten hadden zodra ze het ongeluk zagen gebeuren, een rubberboot die klaar lag om overboord te worden gevierd pardoes naar beneden gegooid in zee. Nog een geluk dat hij niet met de motor naar beneden terecht kwam, want het dek van het schip was zeker zes meter boven de zeespiegel. Ik bloedde als een rund, en toen ik aan boord werd gehesen van het schip dachten ze minstens dat ik zwaargewond was. Ik werd door de ziekenpa aan boord behandeld en kreeg een prachtige witte tulband om mijn hoofd. Mijn vechtpet was ik door de onvrijwillige zwempartij kwijt geraakt, en ik moest een nieuwe kopen hoewel ik zoals gewoonlijk krap bij kas was. Enigszins verbitterd bedacht ik me dat ik beter mijn vechtpetje vast had kunnen houden dan mijn karabijn.

Op de oefeningen met de rubberboten die we nu tot in de perfectie uitvoerden was inmiddels een nieuwe variant bedacht. We moesten nu landingen uitvoeren op kusten waar een hoge branding stond. Op sommige stranden die direct aan de Grote of Stille Oceaan grensden stond een verschrikkelijke branding waar we met ontzag naar keken. Vanuit een veilige afstand op zee hoorde je de enorme golven al brullen voor ze met veel gesis en gedonder op het strand uiteen sloegen. De kunst om op deze stranden veilig te landen was afgekeken van de Papoea's die dat met hun vlerkprauwen heel handig deden. Ze waren de uitvinders van het surfen. Vanaf een afstandje wachtten ze geduldig op een grote golf. Als die eraan kwam begonnen ze als een bezetene in de richting van de kust te pagaaien zodat ze op de rug van de golf terechtkwamen. Op die rug meegedragen landden ze veilig (en met droge voeten) op het strand.

Onze opleiding was bijna voltooid, op één ding na, de jungletraining die nu ging plaatsvinden. Ik was wel benieuwd want ik was op een enkele tocht van een paar honderd meter nog nooit in de bush geweest. Het maakte me ook wel een beetje angstig want wat ik inmiddels had gezien en gehoord maakte me niet bepaald enthousiast. Van een afstand zag het er uit als een dichte groene muur. Het was heel anders dan de bossen die ik in Nederland had gezien. Daar stonden de bomen netjes naast elkaar zodat je door de bomen heen kon kijken. Hier was het één grote worsteling tussen bomen en struiken om licht te ontvangen, waardoor er geen ruimte meer was. Bovendien waren alle bomen overdekt met soorten lianen (rotan) die zich ten koste van alles omhoog vochten. Onder leiding van sergeant Bakker stelden we onze uitrusting samen. Het zou een korte patrouille worden van vier dagen. Het leek me wel lang, maar later zou ik patrouilles lopen die zes weken duurde. In onze pack (rugzak) pakten we munitie, noodrantsoenen eten, droge kleren en wat persoonlijke dingen. Om het pack werd een rol bevestigd bestaande uit een waterdichte poncho, een halve tent, een klamboe en een slaapzeiltje. Verder werd er achter op het pack nog een parang en een rol dik touw vastgemaakt. Het geheel was bijna niet te tillen, en na verloop van tijd sneden de riemen onbarmhartig in je schouders. Ik moest mijn geliefde junglekarabijn voor deze gelegenheid inleveren voor een Thomson (Tommygun), een pistoolmitrailleur. Een onhandig en lomp wapen dat niet lekker op je schouder hing, maar in de hand gedragen moest worden. We vertrokken vanuit Sorong en zouden een stuk doorsnijden van de Vogelkop om vervolgens bij de kust uit te komen. Met ons mee gingen twee Papoea politieagenten en twee Papoea gidsen. Tot mijn grote opluchting liepen we over een min of meer gebaand pad tot we bij een kampong kwamen.

Ikzelf

Er werd ons verteld, dat wij eerst een oefening zouden krijgen in het "belabberen" van een kampong. Dit betekend dat in geval een kampong wordt verdacht terroristen te herbergen, de hele bevolking hun huizen wordt uitgejaagd om gecontroleerd te worden. We vormden een ring om de kampong zodat niemand kon ontsnappen en gingen daarna met de bajonet op het geweer hut na hut langs om iedereen naar buiten te jagen. Ik voelde me net een SS-er en zo voelden de meesten van ons zich. Verschrikte gezichten van de vrouwen, huilende kinderen en onwillige mannen met stuurse gezichten werden door ons naar sekse gescheiden op het de open plek midden in de kampong. Daarna werden de hutten doorzocht, waarbij we enige oude mannen en vrouwen vonden die bedlegerig waren, en dus niet naar buiten konden. Het was de eerste keer dat ik in een kampong was, laat staan in een Papoea hut, en wat ik zag deed me versteld staan. De onvoorstelbare armoede, en de vuilheid ervan schokten me. De vloer bestond uit aangestampte aarde, en langs de kanten waren britsen (baleh-baleh) gemaakt van takken en oude rommel waar de mensen op sliepen. In het midden brandde een vuurtje die de hele hut in een dichte stinkende smook hulde, en die je ogen deden tranen. Verder was er niets in de hut behalve wat kookgerij, de wanden bestonden uit gevlochten bamboe stroken en het dak was van palmbladeren (atap). Natuurlijk vonden we niets in de hutten, de mensen waren geen terroristen, maar dienden slechts als figuranten in ons oorlogsspelletje. Nadat een onderofficier zich had verontschuldigd in gebroken Maleis, gingen de mensen schoorvoetend weer in hun hutten terug, maar in hun ogen was de schrik te lezen.

We vertrokken vanuit de kampong in de richting die de beide gidsen ons aangaven, en dit keer ging het niet langs een gebaand pad, maar recht door de bush. Het was er schemerdonker, en er hing een stank van rottende vegetatie die je in het begin hoofdpijn bezorgde. Het was er vreemd klam en het was er broeiend heet. De bodem bestond uit dikke zwarte slik waar je bij elke stap tot je enkels in wegzakte, en waar je zuigend je schoen uit moest trekken. Vanuit de bomen en lianen boven je, druppelde gestadig regen naar benden totdat je na een tijdje doorweekt was van je eigen zweet, en de regen. Het was vreselijk vermoeiend en na een tijdje werd de lange rij zwoegende mannen steeds langer omdat we steeds verder uit elkaar raakten. Ik had absoluut geen benul meer van mijn omgeving. Hijgend en zwoegend ploeterde ik voort en hoopte en bad dat er snel een einde zou mogen komen aan deze beproeving. Maar het zou nog erger worden, want na een uurtje kwamen we aan een steile helling die we moesten beklimmen. Met elke stap die je omhoog klom, gleed je er drie weer terug door de modder. Bijna plat op mijn buik, en me vastpakkend aan elke struik of boom wist ik me meter na meter omhoog te werken. Ik vervloekte de zware Tommygun die ik steeds in mijn handen moest houden, en die handen had ik nu net zo nodig om me overal,als een aap aan vast te klampen. Met verbazing keek ik naar de gidsen die op hun blote voeten haast achteloos naar boven klommen. Met hun tenen grepen ze zich vast in de modder en achter plantenwortels. Maar wij hadden te maken met zware schoenen met bijna profiel loze zolen waarmee je geen grip had.

De beklimming duurde uren. Op het laatst wist ik niet meer waar ik het zoeken moest, zo uitgeput was ik. Boven me zag ik enkele met zwarte modder bedekte jongens die net als ik volkomen verdwaasd, zonder het verstand erbij te hebben, naar boven ploeterden. Soms verloor iemand zijn evenwicht en gleed tientallen meters naar beneden, totdat hij zich vast kon grijpen aan een boom. Alles deed me pijn, elke spier in mijn lichaam schreeuwde om rust. Na een tijd hielden we halt. Strootje roken! Riep de sergeant joviaal, maar je kunt beter niet gaan zitten want er zitten hier bloedzuigers. Argwanend keek ik om me heen, wat nu weer? Maar het leek mee te vallen, en na een half uurtje gingen we weer op weg. We hadden ook een slok water uit onze veldflessen mogen nemen. We hadden er elk twee, maar daar mochten we niet naar goeddunken uit drinken. Er heerste "waterdiscipline". Dat wilde zeggen dat je alleen mocht drinken als je dat werd toegestaan. Het was om te voorkomen dat je je veldflessen te vlug achter elkaar leegdronk, en later zonder water kwam te zitten. Toen we de top van de tjot (berg) bereikt hadden, werd het voortgaan weer iets makkelijker. Na verloop van tijd staken we een rivier (kali) over, waar we ons kamp zouden opslaan.

Een kamp werd altijd aan een kali opgezet, omdat je dan water had om eten te koken, te drinken en om je te wassen (mandiën). Om je slaapplaats te maken werden er stokken (met een gaffel) die je had gekapt in de grond geslagen met behulp van je pionierschop. Daarna werden er stokken gekapt die je door twee brede zomen van je slaapzeiltje stak. De stokken van het slaapzeiltje werden op de gaffelstokken vastgemaakt met rotan. Je had dan als het ware een platform ongeveer 50 cm boven de enkeldiepe modder waarop je kon slapen. Er werden twee slaapplaatsen vlak naast elkaar gebouwd. Daarna werden er twee lange stokken in de grond gestoken aan de voor- en achterkant van de slaapplaatsen een met een nok tak verbonden. Daarover werd je tentzeil (je had elk een halve die je aan elkaar kon knopen) gespannen en daaronder je klamboe. Je had dan een droge en redelijk comfortabele baleh-baleh (slaapplaats), beschermd tegen kruipend ongedierte, en tegen muskieten. Baleh-Baleh

Aangezien we dit alles natuurlijk nog moesten leren, duurde het een hele tijd voor we het kamp klaar hadden. Daarna waren we zelf aan de beurt. Snel de modderige en bezwete, natte kleren uit, en mandiën in de kali. Die was niet diep, maar snelstromend, en ik liet het koele schone water genietend over me stromen. Jong als we waren, hadden we ons weer snel hersteld, maar een dominee die met ons mee was, een "oude" man van ongeveer veertig jaar oud, was totaal uitgeput. Hij kon niets meer doen. De laatste uren hadden we hem moeten ondersteunen en eenmaal bij het kamp aangekomen zeeg hij in de kali neer en bleef daar minstens een uur onbeweeglijk zitten. We hadden allemaal medelijden met hem, en brachten hem hete koffie die we hadden gezet, en waarvoor hij zeer dankbaar was. Sergeant Bakker had voor hen beiden een slaapplaats gemaakt, zodat hij na het eten van zijn noodrantsoen meteen ging slapen. Wachtlopen hoefde hij niet, zodat hij de volgende morgen, na een nacht bewusteloze slaap weer redelijk fit was. Er was natuurlijk een vuur gemaakt waarop we de rantsoenen konden warmen en dat enig licht gaf, want in de tropen is het om 18.00 uur al stikdonker. Rondom het vuur staken we stokken in de grond waarop we onze schoenen zetten om te drogen. Nadat we gegeten hadden maakte de sergeant het wachtschema bekend, het bleek dat ik van 2 tot 3 uur de wacht had. Ik werd geroepen door degene die voor me liep, en moest degene die na mij liep weer wekken. Het ergste is als je op stond, dat je je natte kleren en schoenen weer aan moet trekken. Je slaapt in je droge stel kleren en onder geen beding mogen die nat worden, want je krijgt in een regenwoud niets meer droog. Toen ik dan ook werd gewekt, trok ik met rillingen van afschuw mijn natte zootje weer aan en loste de wacht af. Die vertrok met een haastige groet en dook meteen zijn baleh-baleh in om de verloren slaaptijd weer in te halen. Ik keek eens om me heen en zag in het schijnsel de slaapplaatsen rondom het vuur, en als een zwarte muur het oerwoud rondom ons. De hemel was niet te zien door de bomen boven ons. In de verte hoorde ik de kali stromen, en verder was het constante gezoem en gesnerp te horen van miljoenen insecten. Ik schoof wat dichter naar het vuur en wierp en wat takken op, want een van de taken van de schildwacht was het aanhouden van het vuur. Ineens hoorde ik vlak achter me een geluid of iemand op een afknappende tak stapte. Ik verstijfde, en hurkte neer met de Tommygun in de aanslag. Er gebeurde niets, ik ontspande wat, waarschijnlijk een dier of zoiets. Ineens een harde gil iets verder op in de bush. Het zweet brak me uit, wat was dat nu weer? Maar ook nu gebeurde er niets en langzamerhand raakte ik wat gewend aan al die vreemde tropische nachtelijke geluiden. Het volgend uur leek het wel alsof de bush van tijd tot tijd tot leven kwam. In golven waren er ineens allerlei geluiden te horen die varieerden van brekende takken tot hoog gegil en een aanzwellend gesnerp van de binatangs. Even later zag ik ook groene lichtjes aan de rand van de bush en begreep dat dat vuurvliegjes moesten zijn. Ik was blij toen mijn wacht erop zat, en ik mijn opvolger kon wekken, want er is veel geheimzinnigheid in een tropisch oerwoud bij nacht, en als je niet oppast gaat je verbeelding met je aan de loop. De volgende dag liepen we over deels gebaande en verharde wegen naar de kazerne, en ik voelde me een hele piet, dat ik deze eerste training er zo goed van had afgebracht.

Er werd in Nieuw-Guinea ook olie gewonnen, en wel door de Nederlands Nieuw-Guinea Oliemaatschappij, kortweg de NNGPM. Dat gebeurde in Klamono, een mijnstadje op ongeveer 50 KM westelijk van Sorong. Aangezien dat ook een mogelijk doelwit kon zijn voor Indonesische infiltranten moesten wij er heen om polshoogte te gaan nemen, en om te kijken of er een permanente bewaking moest worden gevestigd. De reis er heen ging per boot. Eerst over zee, en vervolgens over de Klamono rivier naar het stadje. Het werd een prachtige tocht. Eerst over een prachtige blauwe zee naar de monding van de rivier. We passeerden diverse eilandjes die zo weggelopen konden zijn uit een reclamefilm. Met prachtige witte stranden, omzoomd door hoge klapperbomen, en een prachtige frisgroene vegetatie daarachter. De kust van het vasteland veranderde naarmate we verder kwamen in een mangrovebos. Het was een vreemd gezicht een hoog dicht oerwoud te zien dat met zijn voeten in het water staat. De monding van de rivier was al van verre te zien als een streep bruin water die diep in de schone blauwe zee vloeide. Toen we bij de monding van de rivier aangekomen waren was het eb, en voorzichtig voeren we op het diepbruine water de dichte donkere muur van het oerwoud in. Naarmate we verder kwamen kon ik goed de oevers van de rivier zien die bestonden uit dikke zwarte modder waarop de kromme luchtwortels van de mangrovebomen stonden. Onder die wortels waren donkere holen die er dreigend en griezelig uitzagen. Er komen daar veel zeekrokodillen voor die in de mangrovebossen hun voedsel zoeken. We voeren langzaam voort over de rivier en keken speurend naar dieren op de oevers. Zo nu en dan passeerden we kleine kampongs met huizen op palen die er armoedig en vervallen uitzagen. De mensen evenwel zwaaiden ons vrolijk na, en de kinderen liepen schreeuwend een tijdlang langs de oever met ons mee. We gooiden handenvol snoep uit onze noodrantsoenen naar ze toe tot de snoep op was, en wij uit het gezicht. Klamono bleek een vies stadje te zijn, met vervallen plaatijzeren huizen, roestige olietanks en morsige mannen die bij de NNGPM werkten. Er stond een kroeg die dag en nacht vol zat met drinkend en luidruchtig volk, die ons enigszins spottend bekeken. We gingen naar een plaats verderop in de bush waar we onze baleh-baleh opzetten.

Ik zat ernstig in de stress, want mijn sigaretten waren op. Ik had ook geen geld om nieuwe te kopen, en bietsen bij de maten ging ook niet meer want ook die hadden ook niets meer. Toen we dan ook de keus hadden om de 50 KM naar Sorong terug te lopen in plaats van met de boot koos ik voor lopen, omdat je dan een extra noodrantsoen kreeg. En in dat pakket zat onder andere een blikje met versnaperingen, waaronder een pakje van 10 sigaretten met een doosje lucifers. Dus de keus was easy nietwaar? We vertrokken in de namiddag en zouden de hele nacht doorlopen langs een in staat van ontbinding verkerende weg die van Sorong naar Klamono was aangelegd door de Amerikanen in de 2e wereldoorlog. Nadien was hij gebruikt voor het vervoer van olie met tankwagens van de NNGPM. Nu lag er een pijpleiding voor het vervoer van de olie, waardoor de weg niet meer gebruikt werd en het oerwoud er weer bezit van kon nemen. En dat deed de bush ook, na twee jaar was van de weg slechts een smal modderig voetpad overgebleven dat werd gebruikt door de Papoea's die in de kampongs woonden die langs de weg lagen. Het was een surrealistisch gezicht om te zien hoe het oerwoud weer bezit nam van de door mensenhanden gebouwde weg. Hele stukken asfalt waren doorboord door omhoog groeiende bomen, en mee omhoog genomen waardoor ze op twee meter boven de weg hingen. Langs de weg stond aan weerszijden het oerwoud als een muur, met huizenhoge bomen omstrengeld met lianen, waarin witte kaketoes zaten te krijsen als we voorbij liepen. Als het oorlog is hoort de vijand je al op kilometers afstand aankomen, bromde de sergeant en vuurde een schot af op de vogels die even opvlogen, en zich toen met verdubbeld gekrijs weer in de bomen nestelden. Toen de duisternis inviel na een korte schemering zoals altijd in de tropen, kleurde de hemel met prachtige kleuren van de ondergaande zon. Na het invallen van de duisternis liepen we voorzichtig verder. Boven ons stond een sterrenhemel, zo helder en klaar als ik het denk ik, nadien nooit meer gezien heb. Miljarden sterren stonden er aan de hemel en gaven zo veel licht dat we zonder licht van de zaklantaarns onze weg konden vinden. Daarna kwamen de muskieten. Met hele wolken tegelijk vielen ze ons aan, en staken waar ze maar konden. Ze kropen langs mijn kraag en door mijn mouwen naar binnen en probeerden zelfs in mijn gehoorgangen en neusgaten te kruipen. Muskietennetten op! riep de sergeant, en toen herinnerde ik me het kleine ronde muskietennet die bij mijn patrouille uitrusting hoorde. Al grabbelend in het duister in mijn pack wist ik het te vinden en trok het vlug over mijn hoofd. Ik had me al een paar keer afgevraagd waar het voor diende. Was het werkelijk zo erg met de muskieten dat je dat net over je hoofd moest trekken? Ik kon het me niet voorstellen en we maakten er onderling grappen over en gebruikten het ook wel als draagnet. Maar ik was er nu erg blij mee, en trok de zak (want dat was het eigenlijk) vlug over mijn hoofd en trok het koordje rond mijn nek stevig vast. Zo, nu waren enkel mijn handen nog onbeschermd en die kon ik regelmatig afvegen. Niet dat ik bang was voor malaria, daartegen namen we elke dag een Paludrine pil in, maar ik vind het vreselijk om door insecten (of andere dieren) geconsumeerd te worden. We liepen de hele nacht door, grote vliegende honden, (Kalongs) een soort vruchten etende vleermuizen ten grootte van een konijn vlogen verschrikt op als we langs liepen en stootten schelle kreten uit. De hele sfeer was een beetje spookachtig, vol met het aan- en afzwellende gezoem en gesnerp van insecten, geluid van afbrekende takken en gegil en geschreeuw van dieren. Papoea krijger

Tenslotte brak de morgen aan, en de dichte zwarte muur aan weerszijden van ons, veranderde weer in een groene muur, dichtbevolkt met kaketoes en loeries. De laatsten zijn vruchtenetende papegaaien, prachtig gekleurd met een rode snavel en een kwastvormige tong. Met hun snavel bijten ze de vrucht stuk, om het sap vervolgens met hun tong op te likken. We stopten om koffie te zetten en ons noodrantsoen op te warmen boven een vuurtje dat we aangestoken hadden. Langs het pad passeerden we regelmatig kampongs waarvan de bewoners naar ons toekwamen zodra ze ons zagen. Bij ons was een oudere ziekenpa die mij wees op het grote aantal zwangere jonge meisjes. De meesten waren inderdaad erg jong, sommigen leken zélf wel kinderen. Hij vertelde me dat soms vanaf het moment dat de meisjes voor het eerst gemenstrueerd hadden, ze als geslachtsrijp werden beschouwd. Sommigen al op de leeftijd van 10 jaar. Daarna duurde het niet lang voor ze zwanger werden en hun eerste kind baarden. De kindersterfte was hoger dan 50%, en de gemiddelde levensverwachting van de Papoea was in die tijd niet hoger dan 35 jaar. In het kamp in Sorong gooide ik met een zucht van opluchting mijn zware pack op mijn bed. Zo kwam dan het einde van de opleiding en werd het net als eerder in Doorn, afwachten wat je volgende plaatsing zou zijn. Natuurlijk waren er voorkeursplaatsen. Hollandia en Manokwari waren het meest geliefd. Het laagst in tel waren Fak-Fak, Kaimana en Merauke. Het had te maken met het feit dat Hollandia de grootste stad was van Nieuw-Guinea, en dus was er meer te beleven. Al de plaatsen langs de Zuidkust, dus tegenover Indonesië gelegen waren minder in trek omdat het afgelegen gaten waren waar niets te doen was. Alleen bush, modder en muskieten. Een paar dagen van te voren hing de lijst op het publicatiebord bij de kantine. Ik zag tot mijn grote vreugde dat ik samen met mijn vaste maat Ritsel was overgeplaatst naar Hollandia. Ook Fred Wegeman, Ritsel en Ton Stoopendaal waren erbij. De jongens waar ik de barak mee had gedeeld, bleven allemaal in Sorong. Op de dag van vertrek lagen de Hr.Ms. Piet Hein en de Hr.Ms. Overijsel, in de haven van Sorong om ons te vervoeren naar de plaats van bestemming. De Piet Hein ging naar de Zuidkust, de Overijssel naar Biak en Manokwari. De tocht naar Biak was bijna als die met de Piet Hein vier maanden eerder, maar met een groot verschil. De Overijssel was een moderne onderzeebootjager in vergelijking met de oude Piet Hein. De manschapverblijven hadden airco en omdat het schip veel groter was, konden wij daar een plaatsje vinden om te slapen. Een werkelijk ongekende weelde, na vier maanden vochtige, klamme hitte die maakte dat je altijd en overal klam van het zweet was. In Biak werden we weer in de bekende barakken gelegerd, en was het wachten op het vervoer naar Hollandia.


Volgende hoofdstuk

Copyright © E.Schurink .Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.