De heenreis   |   Sorong   |   Hollandia   |   De jungle   |   De terugreis   |   Het weerzien   |   Gastenboek   |   Contact|   Fotoalbums

De jungle

 Minder prettig was dat het vuur was uitgegaan, men had in een van de hutten rijst en thee gemaakt zodat we niet met een lege maag op weg hoefden. De gelukkige Papoea's die hun hut ter beschikking hadden gesteld kregen als beloning een handje thee en een flinke schep rijst. Waarschijnlijk hadden ze zulk luxevoedsel nog nooit geproefd, want zelf leefden ze op sago. De meesten hadden een eiwit tekort door dat eenzijdige voedsel, en dat verklaarde de slechte conditie waarin de bewoners, speciaal de kinderen, van de kampong verkeerden. Het regende niet meer zo hard, het oerwoud droop van de regen. Toen we een eind op weg waren en in de buurt van een volgende kampong kwamen, ontmoeten we toevallig een aantal vrouwen die aan het sago maken waren. Ze droegen alleen een schortje van een soort boombast als schaambedekking en vluchtten haastig weg zodra we naderen.

 Eerst wordt de palm gekapt, dat is mannenwerk, maar alleen als ze er zin in hebben, anders moeten de vrouwen het noodgedwongen doen. Daarna wordt de zachte stam van de palmboom gespleten en de eetbare kern er met een soort dissel uitgehakt. Vervolgens wordt de uitgehakte sago gewassen en fijn gestampt. Als wastrog doet de uitgeholde helft van de stam dienst. Dan wordt het gefilterd, het water loopt eruit, de sago blijft achter. Sago zit eruit als een wit korrelig poeder en bestaat uit zetmeel. In kokend water geroerd stijft het in een ogenblik op tot een glazige en dikke koek zonder noemenswaardige smaak, die zo of geroosterd op een vuurtje gegeten wordt. Om aan eiwitten te komen worden de palmen omgehakt en gespleten. Daarna laat men ze net zolang liggen, totdat een soort houtkever eitjes in de stam legt. Na een tijdje worden dit dikke witte larven die aan de sago in de stam knagen. Die haalt men er uit en eet ze rauw. Ze bevatten veel eiwitten, en dat is voor deze mensen bijna de enige bron, want er zit relatief weinig eetbaar wild in het bos. Aan de zuidelijke kant komen varkens, kasuarissen, herten en boomkangoeroes sporadisch voor, maar in noord Nieuw-Guinea waar wij waren, veel minder.

 De zesde dag zetten we ons kamp op aan de oever van een brede, woeste kali die met donderend geraas over grote rotsblokken raasde. De afgelopen dagen hadden we flinke dagmarsen afgelegd, tjot op en tjot af. Baggerend door de modder en geteisterd door bloedzuigers en vliegen. Ik had rode huiduitslag. Ringworm, constateerde de ziekenpa die er jodium opsmeerde. Het brandde geweldig en mijn huid verbrande en ontvelde, maar de ringworm bleef niet alleen, maar werd erger. oeten en benen. Na een kwartiertje gingen we weer op weg. Lees verder in het boek...

         

Deze website wordt binnenkort als boek gepresenteerd onder de titel; "Vaarwel Nieuw-Guinea" bij onderstaande uitgever. 

https://klusopdek.nl/boeken/vaarwel-nieuw-guinea/