De heenreis   |   Sorong   |   Hollandia   |   De jungle   |   De terugreis   |   Het weerzien   |   Gastenboek   |   Contact|   Fotoalbums

De jungle

Minder prettig was dat het vuur was uitgegaan, men had in een van de hutten rijst en thee gemaakt zodat we niet met een lege maag op weg hoefden. De gelukkige Papoea's die hun hut ter beschikking hadden gesteld kregen als beloning een handje thee en een flinke schep rijst. Waarschijnlijk hadden ze zulk luxevoedsel nog nooit geproefd, want zelf leefden ze op sago. De meesten hadden een eiwit tekort door dat eenzijdige voedsel, en dat verklaarde de slechte conditie waarin de bewoners, speciaal de kinderen, van de kampong verkeerden. Het regende niet meer zo hard, het oerwoud droop van de regen. Toen we een eind op weg waren en in de buurt van een volgende kampong kwamen, ontmoeten we toevallig een aantal vrouwen die aan het sago maken waren. Ze droegen alleen een schortje van een soort boombast als schaambedekking en vluchtten haastig weg zodra we naderen.

 Eerst wordt de palm gekapt, dat is mannenwerk, maar alleen als ze er zin in hebben, anders moeten de vrouwen het noodgedwongen doen. Daarna wordt de zachte stam van de palmboom gespleten en de eetbare kern er met een soort dissel uitgehakt. Vervolgens wordt de uitgehakte sago gewassen en fijn gestampt. Als wastrog doet de uitgeholde helft van de stam dienst. Dan wordt het gefilterd, het water loopt eruit, de sago blijft achter. Sago zit eruit als een wit korrelig poeder en bestaat uit zetmeel. In kokend water geroerd stijft het in een ogenblik op tot een glazige en dikke koek zonder noemenswaardige smaak, die zo of geroosterdKali op een vuurtje gegeten wordt. Om aan eiwitten te komen worden de palmen omgehakt en gespleten. Daarna laat men ze net zolang liggen, totdat een soort houtkever eitjes in de stam legt. Na een tijdje worden dit dikke witte larven die aan de sago in de stam knagen. Die haalt men er uit en eet ze rauw. Ze bevatten veel eiwitten, en dat is voor deze mensen bijna de enige bron, want er zit relatief weinig eetbaar wild in het bos. Aan de zuidelijke kant komen varkens, kasuarissen, herten en boomkangoeroes sporadisch voor, maar in noord Nieuw-Guinea waar wij waren, veel minder.

De zesde dag zetten we ons kamp op aan de oever van een brede, woeste kali die met donderend geraas over grote rotsblokken raasde. De afgelopen dagen hadden we flinke dagmarsen afgelegd, tjot op en tjot af. Baggerend door de modder en geteisterd door bloedzuigers en vliegen. Ik had rode huiduitslag. Ringworm, constateerde de ziekenpa die er jodium opsmeerde. Het brandde geweldig en mijn huid verbrande en ontvelde, maar de ringworm bleef niet alleen, maar werd erger. Het jeukte verschrikkelijk. Onze voeten waren wit en rimpelig en overdekt met schimmel. Loopgraafvoeten, lemkakken noemde we die. Mijn enkels waren overdekt met wondjes door de bloedzuigers waar korstjes op zaten. Die waren weer opengemaakt door andere bloedzuigers en waren gaan zweren. Door het voortdurend zweten en de vochtige atmosfeer was ik mijn mooie bruine kleur kwijt geraakt, en was weer wit geworden als een echte totok. Nou ja, wit. Ik was meer grijs, want met uitzondering van een wasbeurt in de kali wanneer dat mogelijk was, had ik me niet met zeep gewassen. Sommige jongens hadden rode puisten onder hun oksels en in hun liezen van het zweten. Apepokken werden die genoemd, ze deden veel pijn. Het vreemde was dat ik al enige dagen geen ontlasting had gehad. Toen er uiteindelijk iets kwam, waren het een paar gitzwarte keuteltjes. Je lichaam had alle voedsel die je binnenkreeg hard nodig en verteerde bijna alles zo scheen het.

 We zouden hier een dag blijven om onze uitrusting en wapens, maar ook onszelf te verzorgen en weer op krachten te komen na de geforceerde dagtochten op rooie rijst. De koelies waren er nog slechter aan toe, en reageerden op de rustdag door een twee onderkomens te bouwen waar ze konden slapen. In minder dan een uur hadden ze onderkomens gebouwd en zaten op hun hurken te roken en te praten. Inmiddels brandde het vuur en kregen we rijst met sardines en thee. Ik ging met een paar jongens nog even naar de kali om ons te wassen, maar hij stroomde zo snel dat het te gevaarlijk was om te zwemmen. Die nacht had ik de wacht van middernacht tot twee uur. Toen ik werd gepord was het gelukkig droog en ik kleedde me snel om in mijn vieze en naar modder stinkende kleren. Morgen zou ik ze gaan wassen, dat was zeker. Ik had al een plan bedacht om ze aan een touw te binden en ze gewoon een tijdje in het stromende water te laten spoelen. Dat had ik gezien aan boord van de Piet Hein waar matrozen dit ook zo deden. De hemel was zo helder dat je bij het schijnsel van de sterren kon zien. Achter me de zwarte muur van het oerwoud, vůůr me de lichtende streep die de rivier was, en daarachter weer een zwarte muur oerwoud. Ik was zodra ik buiten kwam een smakelijk doelwit voor een wolk muskieten die olie of niet, zich nergens iets van aan trokken en zelfs mijn oren kropen zodat je er hoorndol van werd. Ze schrokken alleen terug voor de rook van het kampvuur en ik begreep nu waarom het in de hutten van de Papoea's altijd blauw van de rook zag. Er waren slechts twee keuzes te maken in het leven, wat heb je liever; longemfyseem of malaria. Of alle twee tegelijk. Wat een land! Zo stond ik wat somber te overdenken terwijl ik nog wat hout op het vuur gooide.

Een ogenblik stond ik te kijken naar vuurvliegjes die als je niet beter wist, l eken op lichtende ogen die je bekeken vanuit het oerwoud. Het plotseling geritsel in het bos, vlakbij, of het klapwiekend overvliegen van een vogel. Geluiden waarvan je in het begin schrok, maar waaraan je nu langzamerhand gewend was geraakt. De ultieme wildernis. Aan de andere kant was de natuur, woest als het mocht zijn, van een schoonheid die je soms versteld deed staan. De enorme bomen met plankwortels van soms wel vier meter hoog, zijn zo majestueus en hoog dat ze elke Europese boom in de schaduw stellen. Of klapperbomen die je langs een spierwit koraal strand ziet staan met hun wuivende kronen. Een kali die vriendelijk kletterend met kristalhelder water door het oerwoud stroomt en na een tropische stortbui verandert in een bandjir, een woeste bruine maalstroom die alles verzwelgt wat er op zijn pad komt.

De rustdag werd goed benut. Ik bond mijn kleren aan een touw en plonsde ze de kali in. Een uurtje haalde ik het spul weer op, en hing het in de zon te drogen. Verder werd de dag benut voor het schoonmaken en oliŽn van mijn karabijn, en onderhoud van de uitrusting. Bij het avondeten was er zowaar een verrassing in de vorm van een blikje corned beef per twee man. Weer eens iets anders dan sardines. Groenten of fruit kregen we helemaal niet, dus gingen we met een paar man op zoek naar iets eetbaars maar de planten die we vonden leken in niets op wat we kenden. Lekker zitten rusten was onmogelijk omdat we overdekt waren met zwermen dikke zwarte vliegen die alleen ontzag hadden voor de rook van het kampvuur. Om de beurt gingen we in de rook schuilen totdat je er hoestend en snakkend naar adem uit vloog. Meteen werd je weer besprongen door de vliegen. Ze kropen kriebelend in je ogen en je oren en maakte dat je nergens rust had. De ziekenpa had druk werk met iedereen te behandelen voor de diverse kwaaltjes waar we aan leden, en de tik (verbindingsman) was druk bezig met morseseinen een bericht naar Hollandia te sturen. De luchtvochtigheid was zo groot in het oerwoud, dat toen ik mijn gewassen kleren bij het vallen van de duisternis van de lijn haalde, ze nog kletsnat waren. Ze dropen niet meer, maar dat was dan ook alles, zodat ik de volgende morgen de kletsnatte zooi weer moest aantrekken. Maar ze waren wel weer redelijk schoon!

 Het oversteken van de kali nam veel tijd in beslag. Er werden een paar hoge bomen die op een geschikte plaats aan de oever stonden. In het midden van de kali was een soort eiland van grote rotsblokken. De bomen hakten we om, we lieten ze zo vallen dat er een brug ontstond naar het eiland in het midden van de stroom. Nadat er enige maten waren over geklommen en op het eiland stonden, zwom er een aan een touw door de snelle stroming naar de overkant. Het was een gevaarvolle tocht, maar hij maakte het behouden naar de overkant. Daarna werden er nog enkelen naar de overkant getrokken door de eerste man die op de andere oever stond. Vervolgens hakten ze een aantal bomen om, die van de andere kant op het eiland stonden. De eerste keer mislukte de zaak jammerlijk, want de boom kwam in de kali terecht en werd meegesleurd. De tweede viel half op het eiland, maar de derde viel goed, en nu kon het hele gezelschap naar de overkant klauteren. Schrijlings op de boom gezeten schoof ik voorzichtig naar de overkant, maar de koelies met hun zware last liepen al balancerend op hun blote voeten met een vaartje over de boom tot ze aan de overkant waren. Eens te meer bleek dat de menselijke voet beter geschikt is op dat terrein dan onze zware veldschoenen.

Na eindeloze omwegen bereikten we uiteindelijk na twee weken lopen de kampong waar het allemaal om ging. Op de dag voor we de kampong vonden hing er spanning in de lucht. Wat het was konden we niet gewaar worden, de beide Papoea politiemannen waren nerveus en hadden niet zoals gewoonlijk hun geweer ontspannen voor hun borst hangen, maar hielden ze in de hand. De koelies waren stil en dromden vlak achter elkaar, ook hoorden we eenmaal geluid van menselijke stemmen, en hadden we het gevoel niet de enigen te zijn in het oerwoud. De volgende dag vonden we de kampong. Geen hond blafte, geen mens liet zich zien hoewel je aan allerlei sporen kon zien dat de mensen het dorp waren ontvlucht. Een nog smeulend vuur in een hut, verse weggegooide pisangschillen, een paar kippen die men niet had kunnen pakken en meer van dat soort dingen. De sergeant keek om zich heen en nam toen een besluit.
-Kamp opzetten aan rand van de kampong, dubbele wachtposten opzetten en opletten!,zei hij resoluut.

Terwijl we druk bezig waren met het opzetten van het bivak kwamen de eerste mannen uit het oerwoud. Ze bewogen zich omzichtig en waren zwaar bewapend met pijl en boog en schilden die ze in hun hand droegen. Dit waren heel andere Papoea's die ik tot dusver gezien had. Dat waren vriendelijke mensen, van wie geen enkele dreiging uitging. Dit waren krijgers die niet met zich lieten sollen, daar kon geen twijfel over bestaan. Met hun Krijgersfel beschilderde gezichten, hoofdband met koeskoesbont, en agressieve manier van doen deden ze ons naar de wapens grijpen, terwijl de koelies zich fluisterend achter ons verborgen. De sergeant fluisterde even met de korporaal en stapte onbevangen op de krijgers af.

 -In dekking! riep de korporaal gespannen. Vuurdiscipline! Niet schieten voor ik het zeg!

Ook gaf hij twee man bevel onze achterkant secuur te dekken tegen een aanval van achteren.
Ik lag plat op mijn buik achter de stam van een boom met mijn karabijn gericht op een krijger met opvallende gele veren getooid. Vreemd, ik was niet bang, ondanks de dreiging. Deze mensen waren niet boos op ons, maar op hun buren. Toch voelde ik me wel gespannen omdat je nooit kon voorspellen wat er ging gebeuren. Maar er kon niet veel mis gaan, onze gezamenlijke vuurkracht was zo groot dat we ze in ťťn gericht salvo hadden kunnen wegvagen. De kepala-kampong, een brede gespierde figuur met een snor en borsthaar aarzelde, maar kwam achterdochtig naar onze sergeant toe.
-Waar zijn de vrouwen en kinderen? vroeg de sergeant via de goeroe (onderwijzer van de dorpsschool) die als tolk fungeerde.
-Het is oorlog, bromde de aanvoerder. Ze hebben zich verstopt voor onze vijanden.
-Haal ze hier! De oorlog is voorbij, antwoordde de sergeant. De Kompenie (hier wordt het gouvernement bedoeld, maar de naam komt nog van de Verenigde Oost-Indische Compagnie) staat het niet toe, het is verboden. Allen die oorlog voeren worden opgepakt en mee naar Hollandia gevoerd om daar in de gevangenis te worden gegooid.

 De aanvoerder schuifelde onzeker met zijn naakte eeltige voeten en was kennelijk met de situatie verlegen. Aan de ene kant wilde hij tegenover zijn krijgers zijn gezicht niet verliezen, aan de andere kant; met de lange arm van de Kompenie viel niet te spotten, dat wist iedereen. Langzaam en met tegenzin draaide hij zich om en gaf een bevel aan de krijgers die achter hem stonden. Een draaide zich om en draafde het bos in om de vrouwen en kinderen te halen.
-Laten we gaan zitten en roken, zei de sergeant en liet zich een aantal pakjes zware shag van de Weduwe aanreiken die hij verdeelde onder de krijgers.
Daarmee was de ergste spanning geweken. Ook wij kregen het bevel door te gaan met de gewone gang van zaken, maar de wapens bij de hand te houden. Terwijl de sergeant in een kring met de krijgers en de goeroe zat te roken en te praten, kon ik een gevoel van bewondering voor hem niet onderdrukken. Hij was zonder een spoortje angst te tonen naar de mannen toegegaan, en had ze op basis van autoriteit zover gekregen dat ze deden wat hij zei. Nu was hij bezig vertrouwen te winnen. Het werd een lang en ernstig gesprek dat de hele avond en een deel van de nacht duurde. Daarna kwamen de grote tifars (drums) te voorschijn en begonnen de mannen rond een hoog oplaaiend vuur aan hun oorlogsdans. Ze hielden elkaar bij de schouders vast, terwijl ze langzaam voorwaarts stampten onder het, met diepe bassen, uitstoten van agressieve kreten op het ritme van het doffe gebonk van de tifars. Er leek geen eind aan te komen. Ik was gefascineerd, het deed me denken aan de verhalen over Livingstone en Stanley op hun zoektochten naar de bronnen van de Nijl. De zwarte zwetende, naakte lichamen van de mannen beschenen door het flakkerend licht van het vuur, de zwaaiende pluimen op hun hoofd, biceps en enkels, en de woeste oorlogsbeschilderingen maakten een diepe indruk op me.

 De dans ging de rest van de nacht door, de krijgers bevonden zich in een soort trance en schenen niets meer te merken van de dingen die om hen heen gebeurden. Soms verliet een enkeling slingerend de kring van stampende mannen en viel uitgeput op de grond, om even later weer op te staan en zich weer in de kring te voegen. Sommigen van ons probeerden wat te slapen, maar het eentonige gebonk van de tifars en het monotone gekrijs van de krijgers hield iedereen uit de slaap. Het dansen stopte vrij abrupt bij het krieken van de dag en de mannen begaven zich naar hun hutten om daar in een bewusteloze slaap te vallen. Vrouwen en kinderen waren gedurende de avond ook weer de kampong binnengeslopen, zorgvuldig buiten de lichtschijn van het vuur blijvend. Wij bleven nog wel een paar dagen in de kampong om de problemen verder te onderzoeken. Wel hadden we uit voorzorg dubbele wachtposten uitgezet die de gang van zaken scherp in de gaten hielden. Later in de middag vergaderden de sergeant en de politiemannen met de goeroe en de kepala-kampong over de ontstane situatie.

 De oorlog met een naburige kampong was ontstaan door een geschil over het betalen van de bruidsschat van een paar vrouwen. Misschien om inteelt te voorkomen ruilden de kampongs vrouwen met elkaar uit, waarbij flinke bruidsschatten werden betaald, meestal in de vorm van varkens. Omdat de kampong waar wij waren in gebreke was gebleven (volgens de andere kampong) had de tegenpartij enige vrouwen geschaakt en meegenomen. Dat eiste wraak, en daarom was men op een veldtocht naar de nadere kampong geweest en hadden er felle gevechten plaatsgevonden. Er waren doden gevallen en dat maakte de zaak veel gecompliceerder. Het vereiste smartengeld in de vorm van geschenken in de vorm van vrouwen of varkens om de vrede te herstellen. Dit was duidelijk een zaak voor de bestuursambtenaren, en onze tik zat uren achter zijn seintoestel om het bericht door te geven aan Hollandia. De "vijandelijke" kampong lag twee dagen verder lopen. De sergeant ging daar met de helft van ons peloton naar toe om de kwestie te bespreken. Ik bleef waar ik was. Inmiddels heerste er in "onze" kampong een betrekkelijke rust. Na een paar dagen kwamen de anderen weer bij ons terug met het bericht dat er een voorlopige vrede met de andere kampong was gesloten.

Na nog paar dagen maakten wij aanstalten om weer te vertrekken. Er was nu een wapenstilstand tussen de twee kampongs, maar de bestuursambtenaren die na ons zouden komen zouden er nog een taaie klus aan krijgen om ze weer met elkaar te verzoenen. Een week na aankomst vertrokken we weer, terug naar de beschaving. De terugtocht zou via een andere weg gaan in de richting van de kust. Vandaar zouden we met een sleepboot van de Marine worden opgehaald. Ik was blij dat we weer terug gingen. Wel is waar zou het nog een hele tocht worden die minstens een paar weken zou duren, maar het einde was in zicht. Mijn kleren en schoenen waren door het vocht volkomen verrot, een keer toen ik ging zitten scheurde mijn broek bij de knie open als nat krantenpapier. De zool van een van mijn schoenen was losgegaan, daar had ik touwen en pleisters omheen gebonden zodat het op zijn plaats bleef. Zelf zat ik onder de uitslag en insectenbeten, was brandmager en voelde me slap en doodmoe door de ontberingen en het slechte eten. De tocht voerde door bergachtig gebied, waarbij we meerdere keren tot ver boven het tropisch regenwoud stegen. We zagen het oerwoud beneden ons liggen vanaf de hoogvlakte waar kleine taaie heesters groeiden en een soort naaldbomen.

De temperatuur was niet hoger dan een graad of tien, en gecombineerd met harde wind en een vuile koude regen, maakte het voor ons en de koelies tot een afmattende beproeving. Een paar koelies werden ziek en moesten door anderen worden gedragen. Dat kon gelukkig omdat de lasten voor de koelies steeds lichter werd doordat we geleidelijk alle voedsel opaten. Dank zij de goede zorgen van onze onovertroffen ziekenpa werden ze niet nog zieker. Er was tussen hen en ons een band ontstaan. In het begin ontliepen we elkaar, de cultuurverschillen waren te regenwoudgroot en het bleef bij gebaren en grimassen. Nu liepen we gemengd door elkaar tijdens de tocht, en hielpen elkaar bij het oversteken van kali’s, glibberige beklimmingen en verraderlijke afdalingen. Ook tijdens het eten van de rooie rijst zaten we gebroederlijk door elkaar en praten met elkaar in gebroken Maleis, Nederlands en gebarentaal.

 Na een zware tocht kwamen we bij een kampong aan de kust waar we door de sleepboot zouden worden opgehaald. Toen we de camping binnenliepen waaide de Nederlandse vlag van de vlaggenmast. Het was een mooie en schone kampong en ik verheugde me al op het slapen in de passangrahan en misschien morgen in mijn eigen bed in Hollandia. Terwijl we daar zo zaten, drinkend en een strootje rokend, kwamen om de hoek van een paar hutten een rij kleine kinderen aanlopen, geleid door hun goeroe. Elk kind droeg een grote gele djeroek bali (grapefruit met rood vruchtvlees). Die gaven ze verlegen aan ons. We waren blij verrast. Na zes weken geen fruit te hebben geproefd, was dit iets om je vingers bij af te likken. Opeens schalde vanuit ze een zware scheepshoorn. De sleepboot was gearriveerd!

 We schoten meteen haastig overeind en grepen onze uitrusting bij elkaar. We hadden al afscheid genomen van de koelies die op eigen gelegenheid naar hun kampong terugkeerden. Er was niet genoeg plaats op de sleepboot. Het was voor hen zeker nog een week lopen maar ze hadden mondvoorraad, geld en zware shag meegekregen en trokken verheugd weg, blij dat ze weer naar hun familie konden terugkeren. De sergeant had geregeld dat wij door de dorpsbewoners in vlerkprauwen naar de sleepboot gebracht zouden worden. Deze prauwen zijn zeer geschikt om langs de kust op zee te varen en hadden aan beide zijden een uithouder (vlerk) die gelijk met de waterspiegel lag, waardoor ze minder makkelijk omsloegen. In de prauw stappen was moeilijk. Ze zijn zo smal dat je er niet in kunt zitten, het zijn uitgeholde boomstammen. Ik had de grootste moeite om er in te stappen met mijn grote brede veldschoenen, ook al lag de prauw op de vloedlijn van het strand. Uiteindelijk vond ik een plaatsje door de ene voet voor de ander te plaatsen in de prauw en zelf maar een beetje te hurken terwijl ik me aan de boorden vasthield. Mijn rugzak en karabijn legde ik voor me neer. Ik wilde het zwaartepunt zo laag mogelijk houden om de kans op omslaan te verkleinen want er stond een flinke branding. De beide Papoea's die me naar de sleepboot zouden brengen zetten zich schrap en schoven de prauw het water in, achter een enorme terugrollende golf. Het was dezelfde techniek die wij gebruikten met landingsoefeningen met de rubberboten en die in Sorong eenmaal zo fout was gegaan. Maar dit ging goed, en in minder dan geen tijd peddelden we over huizenhoge golven naar de sleepboot.

 Daar aangekomen was het nog niet eenvoudig om aan boord te komen. De prauw stuiterde als een kurk op de golven terwijl de veel zwaardere sleepboot veel langzamer reageerde op de golfslag. Eerst gooide ik, toen we door een golf hoog boven de sleepboot werden opgetild, mijn uitrusting aan boord waar het werd opgevangen door een matroos. De beide Papoea's hielden met angstige gezichten met hun peddels de prauw vrij van de boot, bang als ze waren dat de fragiele prauw stuk zou slaan tegen het massieve staal van de sleepboot. Toen de kans gunstig was, nam ik een snoekduik richting de verschansing van de boot en zag kans me met beide handen stevig vast te pakken voor de sleepboot aan die kant diep wegzonk in de oceaan. Ik ging meteen kopje onder, maar kwam weer boven toen de sleepboot de andere kant oprolde, en werd met een nat pak aan boord getrokken. Twee andere maten waren niet zo gelukkig, kwamen in het water terecht en dreven meteen weg door de sterke stroming. Zij werden door de Papoea's weer opgepikt en teruggebracht naar de sleepboot. Ik stond te klappertanden van de kou in mijn kletsnatte kleren, want er stond een harde wind. Ik trok mijn droge slaapkleren uit mijn pack en kleedde me vlug om, morgen zou ik slapen in droge, en vooral schone kleren in mijn eigen bed. God, hoe ik verlangde naar een warme douche en een normaal bed.

 De terugtocht was een beproeving om het maar zacht uit te drukken. De wind was aangewakkerd tot hard, waar de laag in het water liggende sleepboot tegenop moest tornen, elke keer diep de neus in de golven stekend en golven buiswater sproeiend elke keer als zij zich oprichtte. Wij zaten onbeschermd op het achterdek bijeen gekropen en probeerden bij elkaar beschutting te vinden. Binnen een kwartier waren we weer doornat en zaten te rillen van de kou. Bovendien werd ik zeeziek. Ik kreeg elke keer de bittere smaak van de velletjes van de grapefruit in mijn mond waardoor ik misselijk werd. Het duurde niet lang of ik voelde alles omhoog komen en kotste even later mijn maag leeg over de verschansing. Door het vele overgeven was mijn maag zo leeg als wat, toch kokhalsde ik elke keer, waardoor ik maagkrampen kreeg. Nat, en tot op het bot verkleumd in kletsnatte kleren zaten we dicht tegen elkaar aangekropen. De sleepboot bonkte tegen de golven op zodat je je steeds moest vasthouden aan alles wat je maar te pakken kon krijgen anders gleed je weg op het door het water kletsnatte en gladde dek. Op een gegeven moment merkten we dat we elkaar goed in de gaten moesten houden. De meeste jongens waren zo uitgeput dat ze ondanks de kou van uitputting voor korte tijd indommelden en het gevaar van overboord slaan was niet denkbeeldig in die stikdonkere nacht. We bonden ons aan elkaar vast met de touwen die bij onze jungle uitrusting hoorde en daarmee was het gevaar gelukkig geweken, hoewel de ontbering bleef. We hadden geen eten, geen drinken, en roken kon ook niet, door het vele water dat over ons heensloeg.

De volgende morgen strompelden we moeizaam de kade in Hollandia op, blij dat we weer vaste grond onder de voeten hadden en volkomen uitgeput na een nacht van zeeziekte, koude en ontberingen. Ik smeet mijn uitrusting op de kade, ging er boven op zitten met mijn karabijn op mijn knieŽn en wilde een sigaret draaien. Ik vloekte teleurgesteld, mijn shag en vloeitjes waren kletsnat van het zeewater. De sergeant en de korporaal liepen druk doend over de kade.

-Opstellen! riep de sergeant, en terwijl we ons vermoeid overeind hezen en in de houding gingen staan werden we geteld en geÔnspecteerd. Het was een sjofel stelletje wat daar stond. Ongeschoren, mager en vuil. Gescheurde, vieze kleren en rode ogen van het zeewater en gebrek aan slaap. Ik keek al rond naar een truck die ons naar het Kloofkamp zou brengen, want ik voelde me zo slap als een vaatdoek. Er was natuurlijk geen truck.
-Luister uit! riep de sergeant met schorre stem, en schraapte zijn keel. Ondanks dat we een zware tijd achter ons hebben, en een koude ongemakkelijke nacht, lopen we naar het Kloofkamp. We marcheren over de Oranjelaan naar het Kloofkamp alsof het een plezierreisje is geweest.
De eerste de beste die strompelt, of zich niet als een marinier gedraagt, krijgt met mij te maken. Voorrrrwaarrrts, Marrrrs!

 En daar marcheerden we over de Oranjelaan in onze sjofele uitrusting alsof we een parade op Koninginnedag liepen met tamboers en pijpers voorop. We kregen er zelfs een soort macaber plezier in en trokken de schouders naar achteren en de borst naar voren.
-Zingen! riep de korporaal die de stemming haarfijn aanvoelde, en zo liepen we luidkeels
(O, dronken marinier, waar kom jij zo laat vandaan, ere zij uw naam) zingend en nagestaard door verbaasde voetgangers, naar de kazerne terug. Toen we de poort binnen marcheerden gooide de wacht grijnzend de slagboom voor ons open. Eenmaal in de barak gooide ik mijn spullen op de vloer en ging aan het werk. Karabijn schoonmaken en oliŽn. Kleren wassen en aan de lijn hangen, mandiŽn, brieven lezen van thuis, en toen naar bed. Jonge, wat was ik moe. En wat was het bed lekker zacht. Na zes weken op een nat zeiltje tussen twee boomstammetjes geslapen te hebben, was dit een ongekende weelde. Ik sliep wel een paar uur achter elkaar. Toen weer mandiŽn en daarna met alle patrouillegangers naar de ziekenboeg die een eindje buiten het kamp lag, om nagekeken te worden. Toen we daar naakt naast elkaar stonden kon je pas zien hoe we eruit zagen. Brandmager met uitstekende ribben en ingevallen buiken. Bulten en plekken van insectenbeten, ringworm, en rode puisten in oksels en liezen. Ikzelf had grote rode vlekken, het leek wel een soort eczeem in mijn liezen. Aan de enkels en ellebogen zweren en littekens van bloedzuigers. Ik was broodmager en woog slechts 65 kilo bij een lengte van 1,95 m. De sergeant van de ziekenboeg, een grote zwarte Surinamer, begon met een andere ziekenpa onder het maken van grappen ons te behandelen. Het was een vrolijke humoristische vent die we allemaal graag mochten. Met een soort verfkwast smeerde hij jodium in mijn liezen zodat ik op en neer danste van de pijn.
-Elke dag terugkomen!, balkte hij in mijn oren. Goed voor de ballen! Jullie witmannen kunnen ook nergens tegen! Dan wij Surinamers!, wij worden als kind elke dag gebaad in jodium, daarom zijn we zo bruin.

Die avond brachten we in de kantine onze tijd door aan de bar waarbij wij ons menig blikje bier goed lieten smaken. Met schaatsende bewegingen ging ik die avond naar bed. De volgende morgen na baksgewijs liep ik naar de wachtlijst op het publicatiebord en zag dat ik ingedeeld was bij de wacht op het vliegveld Sentani. Dat betekende een abrupt einde van de behandeling in de ziekenboeg. We gingen daarheen voor een termijn van vier weken. Het vliegveld werd door ons met twee geweergroepen bewaakt omdat het een vitaal deel uitmaakte van de infrastructuur van Hollandia. Als het bezet zou worden door de IndonesiŽrs of door rebellen was de stad waar ook het gouvernement zetelde, min of meer geÔsoleerd. De enige manier van transport was dan nog over zee. Het "kamp" bestond uit een vierkant braak stukje grond omzoomd door een witgekalkt houten hekje. In het midden stond de vlaggenmast met vlag, om aan te geven dat we hier weliswaar in een uithoek, maar wel degelijk in het Koninkrijk Der Nederlanden waren. Rondom de vlaggenmast stonden een zestal afgedankte tenten van Amerikaanse makelij waar we in ondergebracht werden. Een tent deed dienst als eetruimte, opslagplaats en keuken. De anderen waren om in te slapen. In elke tent stonden zes houten britsen waar we op sliepen. Het lag wel hard, maar dat vonden we niet erg, we waren wel anders gewend. Ook hing er een kleine groene klamboe van het soort wat we mee namen op patrouille. Commandant van het kamp was een korporaal of marinier 1e klas. We liepen patrouille over het vliegveld en de gebouwen die s,nachts geheel verlaten waren. Het gaf je een mooie kans de vliegtuigen van heel dichtbij te zien en soms een praatje te maken met de bemanningsleden. Er waren Dakota,s en Twin Otters van de Kroonduif, maar ook Firefly’s van de Marine Luchtvaartdienst en kleinere vliegtuigjes van de zending en de missie. Het eten in het kamp was ronduit slecht en bestond uit noodrantsoenen die soms vijf jaar over de houdbaarheidsdatum waren. Soms moesten we dozen weggooien omdat alle blikjes bol stonden. Meestal deelden we de eetbare blikjes samen zodat we er iets van konden maken. Ritsel, maar ook Stoop waren handig in het "lekkerder" maken van de gerechten door er prei of uien aan toe te voegen, of door bijvoorbeeld de hutspot of jachtschotel uit blik op te bakken. Brood werd elke morgen gebracht door een bakker uit Sentani, maar we hadden geen beleg. In het noodrantsoen zaten wel eens plakjes kaas of jam uit blik maar die vielen door ouderdom uit elkaar, zodat we vaak suiker of pisang aten op ons brood.

Evert SchurinkNa een maand werden we weer naar het Kloofkamp teruggebracht en was ons betrekkelijk vrije leventje over. Veel wachtlopen bij het paleis van de gouverneur en in het kamp. Als je vrij van wacht was, waren er allerlei oefeningen en exercities die je tot ‘s avonds laat bezig hielden. Langzamerhand waren we "oude jongens" geworden, en kenden we het klappen van de zweep. Onze huid had de kenmerkende ietwat gele kleur gekregen door het slikken van de Paludrine tabletten tegen de malaria, en we kenden elke toko in Hollandia. Onze kleren waren gebleekt en verschoten door het vele wassen en velen van ons waren al gepromoveerd tot marinier der (jawel) tweede klasse. Onze commandant Harthoorn was vertrokken en vervangen door eerste luitenant de Rijke. Een lange sportieve vent die het als zijn missie zag ons versterkte peloton tot nog grotere prestaties te prikkelen. Het begon met het lopen van de Nieuw-Guinea vierdaagse. Op het publicatiebord werd een oproep gedaan voor vrijwilligers maar toen er zich niemand meldde, werden we onvrijwillig tot vrijwilligers gemaakt. We haalden berustend de schouders op. Het korps nietwaar? Dus liepen we vier dagen van vijftig kilometer per dag, zwetend onder de tropenzon. Lunchpakketten en water werden aangevoerd met een Landrover, eten deden we staande in de schaduw van een paar bomen in de berm van de weg. In Nieuw-Guinea kun je niet ongestraft in de berm gaan zitten. Aangezien er niet veel geplaveide wegen zijn rondom Hollandia liepen we een aantal malen dezelfde route in omgekeerde volgorde, die het niet minder saai maakte. De vierde dag was er zowaar een prijsuitreiking en kregen we een medaille. Ik was de mijne de week erop al kwijt, veel waarde hechtte ik er niet aan, we liepen zoveel kilometers, die 200 kilometer kwamen er ook niet meer op aan.

De week erop leerden we de nieuwe commandant beter kennen. Na een zware oefening op de Sentani laagvlakte waar we met trucks waren heengebracht kregen we te horen dat we de veertig kilometer naar Hollandia terug moesten lopen. We kankerden naar hartelust. We hadden de hele dag in de bloedhitte lopen rennen. Infanterie oefeningen. Schuttersputjes graven, met het mortier en de bijbehorende granaten sjouwen, steeds hardlopend van positie wisselen zodat we bekaf waren. Maar de commandant was onverbiddelijk. Na een noodrantsoen verorberd te hebben togen we op pad. We mochten "vrij in het gelid" lopen, zodat er al snel grote gaten vielen in het peloton. Ongeveer halverwege werden we ingehaald door een vrachtwagentje van een Chinese handelaar. Achter in de open laadbak zaten drie maten waaronder mijn maat Fred Wegeman, die ons lachend en uitbundig toezwaaiden terwijl ze voorbijreden. We keken elkaar verbaasd en grijnzend aan. Die slimme ratten! Als ze zich maar niet lieten zien aan het kader want dan zwaaide er wat voor ze. Wij liepen door, met zere voeten en schouders die pijn begonnen te doen van de zware packs die we droegen en mijn jungle karabijn. Toen we eindelijk na zes uur lopen met een zucht van verlichting het donker het kamp binnen marcheerden (strompelen deed je niet) wachtte ons een vreemd schouwspel. De jongens die voor ons waren aangekomen (ik liep ongeveer in de middenmoot) waren zich niet aan het mandiŽn maar stonden aangetreden op de binnenplaats. Verbaasd stootten we elkaar aan. Wat was dat nu? We kwamen er snel achter. De jongens die met de Chinees waren meegereden, waren gesnapt. Wij moesten aansluiten bij de maten die er al stonden. Toen na een poosje iedereen binnen was, nam de commandant het woord.

-Omdat drie mariniers zo kinderachtig zijn geweest om met een auto mee te liften in plaats van te lopen zoals de opdracht was, gaan we het simpelweg allemaal nog een keer over doen, zei hij effen.

We werden weer in de trucks geladen waarvan de chauffeurs ons met een meewarig gezicht stonden op te wachten. En weer terug naar Sentani gebracht. Daar kregen we een stukje krentenbrood uit een noodrantsoen en water, en daar gingen we weer. Dit keer in het pikkedonker. De Rijke liep zelf met kwieke pas voorop. Dat maakte indruk op ons, want zelf had hij ook de oefeningen en de mars naar Hollandia gemaakt, net als ons. Hij had ook thuis kunnen blijven, maar het sierde hem dat hij meeliep, zo dachten we er allen over. Dit keer liepen we niet meer vrij in het gelid, maar onder leiding van een woedende en scheldende korporaal die met bloed doorlopen ogen naar Fred Wegeman keek. Voor het peloton liep een marinier met een wit licht en aan de achterkant een met rood licht voor het verkeer. Niet dat er ‘s avonds laat veel verkeer was, ik denk dat we geen een auto zijn tegengekomen. We kwamen voor de tweede keer die dag door Hollandia Binnen (Abepura), en de bewoners stonden ons verbaasd op te nemen. Wat deden die mariniers nu weer?

De voettocht begon me erg zwaar te vallen. En mij niet alleen. We hadden die dag ons portie wel gehad, en dan nog dit hele eind opnieuw lopen. In het peloton begonnen uitvallers te komen zodatmariniers op patrouille de korporaal na overleg met de Rijke, gedwongen werd halt te houden. De ziekenpa begon meteen met de ergste gevallen te behandelen. Blaren werden doorgeprikt bij het licht van een zaklantaarn, en boterhammen werden rondgedeeld. Ik strekte me helemaal op het asfalt uit en hield mijn voeten omhoog zodat het bloed naar beneden kon stromen. Ik had loodzware benen en mijn schouders waren gevoelloos geworden door het gewicht van het backpack. Blaren had ik gelukkig nog niet. Wel pijnlijke voeten en benen. Na een kwartiertje gingen we weer op weg. De eerste paar honderd meter zijn dan het moeilijkst. Je hebt net gerust, en je kunt bijna het ene stijve been niet voor het andere krijgen. En dan het zweten. Het gutst uit je poriŽn en stroomt brandend in je ogen. Het bijt in de rauwe plekken onder je armen, je liezen en de schuurplekken van de banden van je backpack. Maar opgeven was geen optie, dat wisten we. Dat kan niet in het korps. Zo sjokten we door de tropennacht. Om ons heen het golvende gezoem en getsjirp van de ontelbare insecten in het oerwoud aan weerszijden van de weg. Boven ons een bleke maan die de weg voor ons enigszins verlichtte. Verder geen geluid behalve het ritmisch neerkomen van de voetstappen in het peloton, het gekraak van de riemen en uitrustingstukken en het gehijg van de uitgeputte manschappen. De weg omhoog tegen de steile hellingen van het Cycloopgebergte was een marteling. Mijn benen voelden of ze van gelei waren, er zat geen kracht meer in. Gelukkig was het tempo niet al te hoog, we waren allemaal aan het eind van onze krachten. Toen we eindelijk boven op de top van de tjot waren en een fris windje van zee voelden stopten we voor een korte rust. Ik ging niet liggen of zitten, als ik dat had gedaan was ik nooit meer omhoog gekomen. Ik bleef tegen een boom geleund staan en gebruikte mijn karabijn als steuntje. Gulzig slokte ik een slok water naar binnen toen we daar verlof voor hadden gekregen.

Daarna de berg weer af. Het was nog erger dan het klimmen. Het voortdurend afremmen met je uitgeputte verzuurde benen deed niet alleen pijn, maar je moest ook opletten dat je niet door de vermoeidheid struikelde en viel. Met elke stap sloeg mijn pack tegen mijn rug en schuurde de banden mijn schouders stuk. Van de verdere tocht herinner ik me niet al teveel, het lijkt wel alsof ik het onbewust verdrongen heb, maar het kan ook door de uitputting komen waardoor ik alles als in een roes beleefde. Soms gebeurde het ook wel eens als je op patrouille was. Je was dan zo uitgeput en leeg, dat het wel leek alsof je uit je eigen lichaam trad. Alles wat er gebeurde leek wel van heel ver te komen, het was net alsof je er niet meer bij betrokken was, maar dat een ander dan jijzelf daar liep. Een soort zelfbescherming denk ik als je letterlijk op je laatste benen loopt.

Toen we het kamp binnenmarcheerden ontwaakte ik uit mijn verdoving en kwam weer tot mezelf. We mochten inrukken en strompelden naar onze barak. Ik gooide mijn barang op het bed, en ging meteen naar de doucheruimte om te mandiŽn. Ik was bang dat ik niet meer op zou staan als ik ging zitten, laat staan liggen. Ik was er niet al te slecht aan toe. Mijn schouders waren stuk geschuurd en schrijnden, en mijn liezen en oksels waren pijnlijk en rauw door het overvloedig zweten. We hadden die dag ongeveer vijf en negentig kilometer gelopen, en dat kon je aan je lichaam merken. Na het mandiŽn ging ik, nadat ik wat gegeten en veel water gedronken had, op bed liggen. Het was ongeveer vijf uur 's morgens en het begon al licht te worden. Ik viel in een soort bewusteloosheid waaruit ik een uur later ruw werd gewekt doordat er iemand aan mijn schouders stond te schudden. Het was de korporaal die me probeerde duidelijk te maken dat het overal was. Ik liet me van mijn bed glijden en waggelde naar hetAls schildwacht bij het paleis van de Gouverneur mandihok.

Toen we stonden aangetreden voor baksgewijs zagen we er niet uit als een gezond stelletje Hollandse jongens. Strakke gezichten door de doorgestane ontbering en het gebrek aan slaap. De dag begon rustig. Met nog drie jongens en een marinier 1e klas werden we naar het paleis gereden waar we de wacht afloste die daar het vorige etmaal dienst had gedaan. Toen we binnenkwamen keken we de marinier 1 die de leiding had, afwachtend aan. Wie ging er het eerst op wacht en wie kon voorlopig vier uur de kooi in? We gaan loten besloot hij. Inwendig kreunde ik. Ik win nooit iets, en het kwam uit. Even later stond ik in mijn groene dungareepak met helm voor het schildershuisje bij de ingang van het terrein tegenover de wachtpost. Twee uur duurde mijn dienst, het werd heet toen de zon goed doorkwam en ik leed in stilte. Het was doodstil, geen windje roerde zich en ik moest moeite doen om niet staande in slaap te vallen. Dus ging ik maar heen en weer lopen. Tien passen naar links, model rechtsomkeert maken, twintig passen naar rechts, model linksomkeert maken, twintig passen naar links, enz.

Toen ik werd afgelost leek het wel of ik vier uur op wacht had gestaan in plaats van twee. Snel stopte ik mijn hoofd onder de kraan, droogde me af en dook een van de stapelbedden in die in het wachtlokaal stonden. Nog half bewusteloos werd ik drie en een half uur later weer gewekt om weer twee uur schildwacht te staan. Zo langzamerhand begon het einde van onze Nieuw-Guinea term er op te zitten en we praatten met elkaar over hoe ons leven verder zou gaan. Wat ging je doen als je weer thuis bent? Ik had er niet echt over nagedacht, en leefde min of meer van de ene dag in de andere. Op een avond toen we bij de Chinese toko aan de Oranjelaan aan een pilsje zaten zei Ritsel op nadenkende toon;

-Ik denk dat als we eenmaal thuis zijn, we een tijdperk hebben afgesloten. Het zal nooit meer zo zijn als het was.

Op dat moment moesten we lachen om die sombere woorden, maar later heb ik er nog vaak aan teruggedacht. Hij sloeg de spijker op zijn kop.

Volgende hoofdstuk

Copyright © E.Schurink .Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.