De heenreis   |   Sorong   |   Hollandia   |   De jungle   |   De terugreis   |   Het weerzien   |   Gastenboek   |   Contact|   Fotoalbums
    
Opleiding te Hollandia
 

De tocht naar Biak was bijna als die met de Hr.Ms. Piet Hein vier maanden eerder, maar met een groot verschil. De Hr.ms. Overijssel was een moderne onderzeebootjager in vergelijking met de oude Piet Hein die nog uit de tweede wereldoorlog stamde. De manschapverblijven hadden airco en omdat het schip veel groter was, konden wij daar een plaatsje vinden om te slapen.Hr.Ms.OverijsselEen werkelijk ongekende weelde, na vier maanden vochtige, klamme hitte die maakte dat je altijd en overal nat van het zweet was. In Biak werden we weer in de bekende barakken gelegerd, en was het wachten op het vervoer naar Hollandia.Typisch voor het Korps was, dat we tot onze verrassing op de dag van vertrek niet naar de haven, maar naar het vliegveld werden gebracht. We gingen aan boord van een DC3 (Dakota) van de Kroonduif, een dochteronderneming van de KLM. Het was een klein toestel, twee rijen stoelen aan weerszijden van het gangpad. Een bijzonderheid vond ik verder dat het vliegtuig aan de binnenkant niet was bekleed, maar dat je zo tegen de spanten aankeek. De stoelen waren heel eenvoudig, een ijzeren frame bedekt met bruine canvas. Als het toestel op de grond stond, helde het sterk achterover, omdat het aan de achterzijde steunde op een klein wieltje. Met het vaart maken voor het opstijgen kwam de staart omhoog en lag het toestel verder recht. Het vliegtuig was niet helemaal vol bezet, en we konden zo in de cockpit kijken van waaruit wij zaten omdat de deur open stond. We vlogen uren boven het oerwoud. Eindeloze oerbossen, doorsneden door zilverkleurige slingerende rivieren. Van boven af gezien leek het wel op een enorm boerenkoolveld, maar van de uitgestrektheid van deze wildernis raakte ik onder de indruk. Een zee, nee een oceaan van land, twintig keer zo groot als Nederland.

De tocht duurde niet erg lang, na vier uur vliegen landden we op het vliegveld Sentani bij Hollandia. Ook dit vliegveld was door de Amerikanen aangelegd tijdens de tweede wereldoorlog, evenals de veertig kilometer lange weg naar Hollandia. Het vliegveld is gelegen in het vlakke gebied bij het Sentanimeer en wordt van Hollandia gescheiden door het Cycloopgebergte. Het is een heel ander landschap dan de Vogelkop. Vanuit het vliegtuig hadden we het uitgestrekte Sentanimeer gezien, omzoomd door heuvels bedekt met alang-alang, een manshoge grassoort. Dakota DC3Het gebied was niet zo moerassig en veel droger dan bij Sorong. De start- en landingsbanen waren omzoomd met hoge klapperbomen. We werden opgewacht door een korporaal en een matroos en zonder veel plichtplegingen in een truck geladen die ons naar de kazerne zou brengen. Hotsend en botsend reden we langs de smalle weg langs het Sentanimeer waar langs de oevers bamboehuizen met daken van atap (palmbladeren) op palen in het water stonden. Daarna langs Kota Baroe, een redelijk grote desa waar de militaire strafgevangenis was. De weg steeg met haarspeldbochten de bergen in. Steeds hoger ging het, tot we de vlakte van Sentani beneden achter ons zagen in het scherpe zonlicht. De weg slingerde zich, dan weer stijgend, dan weer dalend door de uitlopers van het Cycloopgebergte. Soms konden we vanaf een hoog punt de blauwe Stille Oceaan zien en de witte wolken er boven. Het leek wel een plaatje van Hawa´, zoals ik wel eens gezien had in een tijdschrift, en ik prees me eens te meer gelukkig dat ik het geluk had dit mee te maken. De truck scheurde over de smalle weg en zwaaide van links naar rechts in de haarspeldbochten zodat we ons al foeterend stevig vast moesten houden aan de houten banken. Kennelijk kende de chauffeur de weg als zijn broekzak, maar ik was er niet helemaal gerust op. Helemaal niet toen we een uit de bocht gevlogen autobus in een ravijn zagen liggen.

-Vijf en twintig doden, sprak de matroos die naast ons in de bak zat nonchalant. De remmen van de bus weigerden en toen is hij de bocht uitgevlogen.

Ik zei niets, maar was behoorlijk opgelucht toen we na een flinke afdaling met piepende banden en knallende motor, Hollandia bereikten. Overigens moet ik zeggen dat er door chauffeurs van de Marine wel goed, maar vaak in een halsbrekende tempo werd gereden. Hollandia is gelegen aan de Humbolt baai, een prachtige natuurlijke haven waar ook grote schepen kunnen laden en lossen en bood een schilderachtige aanblik. Rondom de blauwe baai liggen uit de oceaan oprijzende groene heuvels die dokken worden genoemd en waarop de stad is gebouwd. Van de havenkant loopt de Oranjelaan rechtdoor tot aan het Kloofkamp, de marinierskazerne. Erlangs waren Europese winkels en veel Chinese toko's gevestigd, en zelfs een bioscoop. De eerste impressie van de stad was erg goed, en dat gevoel werd nog sterker toen we door de poort de kazerne inreden en een echt zwembad ontwaarden. Voorbij het zwembad was een kleine binnenplaats waaromheen de garage, wapenkamer en de manschapverblijven lagen, evenals de officiers en onderofficiers onderkomen. Het was de kleinste kazerne die ik ooit had gezien, en enigszins ongelovig namen we dit miniatuur kampje in ons op.

Hollandia is gelegen Haven van Hollandiaaan de Humbolt baai, een prachtige natuurlijke haven waar ook grote schepen kunnen laden en lossen en bood een schilderachtige aanblik. Rondom de blauwe baai liggen uit de oceaan oprijzende groene heuvels die dokken worden genoemd en waarop de stad is gebouwd. Van de havenkant loopt de Oranjelaan rechtdoor tot aan het Kloofkamp, de marinierskazerne. Aan beide zijden van de laan waren Europese winkels en veel Chinese toko's gevestigd, en zelfs een bioscoop. De eerste impressie van de stad was erg goed, en dat gevoel werd nog sterker toen we door de poort de kazerne inreden en een echt zwembad ontwaarden. Voorbij het zwembad was een kleine binnenplaats waaromheen de garage, wapenkamer en de manschapverblijven lagen, evenals de officiers en onderofficiers onderkomen. Het was de kleinste kazerne die ik ooit had gezien, en enigszins ongelovig namen we dit miniatuur kampje in ons op.

Nadat een streng uitziende chef d’Equipage ons had begroet, werden we overgedragen aan korporaal Zwemmer die de leiding had over het mortierpeloton. We kregen een slaapplaats toegewezen in een barak op de hoek naast de wapenkamer met uitzicht over de binnenplaats. Een bijzonderheid was dat de ramen niet open waren, maar afgedekt met muskietengaas, waardoor we niet onder klamboes hoefden te slapen. Een hele vooruitgang, want klamboes lijken altijd wel muf te ruiken, en het voelt benauwd en opgesloten. Bovendien slaapt het niet lekker als je horden bloeddorstige muskieten om je bed heen hoort zoemen. Ze kunnen wel niet bij je komen, maar toch...En als je in je slaap met je been of arm tegen de klamboe aan ligt, wordt je daar evengoed gestoken waardoor je altijd onder de bulten zat. Ik koos een bovenbed en kreeg Kees Plug onder me als slapie. Het bed naast me werd bezet door Tom, en in het bed vlak naast de ingang, bij het raam waar het het koelst was, lagen Visser en korporaal Zwemmer.

Voor onze kamer stond onder de galerij een bank waaraan we (als we kampdienst hadden) 's morgens ontbeten en koffie dronken. Het middageten gebruikten we in de marinekazerne die niet ver van ons kamp op een hoge tjot lag. We stapten dan in een van de twee trucks die het kamp rijk was, een DAF en een Ford en werden naar boven gereden. Eerst een stukje de Oranjelaan af, langs de MP gevangenis, de brug over de kali over, naar rechts en de steile helling op naar de kazerne. Elke Maandag aten we nasigoreng met erwtensoep. De combinatie van de twee gerechten is een gotspe, maar gek genoeg kijkt iedereen in de Marine tot op de dag van vandaag er naar uit. De andere dagen rijst met groenten en vlees, met als uitschieter op Zondag een meer dan heerlijke rijsttafel met wel 10 verschillende gerechten. Ik heb het eten bij de Marine altijd erg goed gevonden, maar in Hollandia spanden ze de kroon. Soms was er een zending aardappelen uit AustraliŰ die half verrot was. Ze werden dan op de binnenplaats uitgestort en iedereen moest helpen om de beste er uit te zoeken en die te schillen. Bijna iedereen had dan de smoor in, Kloofkamp Hollandiawant dat betekende zuurkool met leuning die middag. Er zijn betere combinaties denkbaar bij 32░ hitte. Daarnaast werd er ook stevig geoefend en gewerkt, dus vrije tijd was schaars en onbekend, maar het paste in het beeld van die dagen toen zesdaagse werkweken van 48 uur normaal waren, en vakantie voor de meeste mensen een onbekend fenomeen was.  Een van de eerste taken was dat ik werd ingedeeld om wacht te lopen bij het gouvernementspaleis. Het paleis was gelegen in Dok Lima (vijf), veruit de deftigste buurt van de stad. De Gouverneur, de resident en vele hoge bestuursambtenaren woonden er met hun gezinnen en bedienden.  Tot mijn verrassing werd ik al na drie weken na aankomst in Hollandia ingedeeld om zes weken op patrouille te gaan. Waarheen wisten we niet, had ook geen enkele zin om het ons te vertellen, want achter de stad begon een groene oceaan van bomen die als je het op de kaart van Europa projecteert, strekte van Oslo tot Madrid. Geen wegen, spoorlijnen, bruggen, telefoonlijnen of steden, alleen verstikkend groen, modder en van ongedierte vergeven oerwoud. Ik was er wel blij mee toen ik mijn naam op de lijst zag staan. Zes weken is lang, het betekende ook dat je al die tijd afgesloten was van alle contact. Sergeant Paulus was patrouillecommandant, een oude rot die in de tweede wereldoorlog als krijgsgevangene door de Japanners tewerkgesteld was bij de Birma spoorweg, en daar veel had meegemaakt. Een strenge maar rechvaardige vent en bovendien een zeer ervaren woudloper.

Minutieus werden de voorbereidingen voor de patrouille voorbereid. We moesten elk twee dungarees, leggings, sokken en ondergoed inleveren die gedrenkt werden in een grote tobbe met een chemische oplossing. Ze werden kletsnat aan de lijn opgehangen om te drogen. Het was als bescherming tegen een bloedzuigende mijt die in alang-alang voorkomt en een tropische koorts kan veroorzaken. Ik vroeg me af hoelang het goedje zou standhouden, want tijdens een patrouille liep je bijna constant in de regen. De chemische substantie zou er na niet al te lange tijd wel uit verdwenen zijn. Ook kregen we waterzuivering tabletten, en muskietenolie waar je je mee kon insmeren. Verder (veel) munitie, noodrantsoenen, kompas, parang, pikhouweel, rol touw, dubbele veldflessen, zaklantaarn en nog veel meer nuttige zaken. Ook ging er een ziekenpa mee, met uiteenlopende medicijnen en een verbindingsman met een seintoestel voor morseseinen en een aggregaat die stroom kon opwekken door met je armen aan twee trappers te draaien. De patrouille bestond uit 15 mariniers, aangevuld met twee Papoea politiemannen en 20 dragers (koelies) onder aanvoering van een mandoer.

 De tocht zou ons diep in het onbekende bergachtige achterland brengen waar mensen woonden die behalve een zendeling of missionaris nog niet met de westerse civilisatie in aanraking waren geweest. In een bepaalde streek waren twee dorpen met elkaar in oorlog geraakt. Onze taak was om te onderzoeken wat er werkelijk aan de hand was, en of er Indonesische terroristen aanwezig waren. Nieuw-Guinea is gevormd zoals de meeste eilanden van vulkanische oorsprong. De kusten stijgen langzaam naar boven op met in het midden van het eiland een graat met hoge bergen. In tropische regenwouden zoals in Nieuw-Guinea regent het elke dag, er valt gemiddeld vier meter regen per jaar tegen in Nederland slechts ÚÚn meter per jaar. De massa overtollig water wordt door kolkende woeste stromen die onbevaarbaar zijn, zoals de Idenborgh en de Marijke rivier afgevoerd. Zij storten zich als het ware van de bergen en stromen uit in de Oceaan, grote massa’s bruin slib met zich meevoerend. De noordelijke kust bij Hollandia is vrij smal en loopt steil omhoog tot in de bergen. Daarom kun je niet zoals in Zuid Nieuw-Guinea waar de kustvlakte heel breed is, per prauw een stuk de rivier op varen als je het binnenland in wilt.

Op patrouilleOp de dag van vertrek werden we met trucks naar de omgeving van het Sentani meer gebracht waar we tevens de koelies zouden ontmoeten die uit een kampong uit de buurt waren gevorderd. Het systeem was namelijk dat het gouvernement aan een kepala-kampong bevel gaf een aantal koelies te leveren. Dat was niet vrijblijvend, zij hadden dit maar te doen. Het loon voor deze mensen was vijf NNG gulden en een half pakje zware shag per dag. Ze stonden al op ons te wachten toen we bij de kampong aankwamen, met hun leider de mandoer. Ik had medelijden met ze, en twijfelde aan de goede afloop van de patrouille. Moesten die onze barang (bagage) dragen? Kleine schriele mannetjes met kromme beentjes, ingevallen buiken en huiduitslag. De barang die voornamelijk bestond uit proviand en pannen en potten werd uit de trucks gehaald en in lasten per man verdeeld. Daarna werd elke manlast die bestond uit verschillende grote blikken, met touwen aan elkaar vastgeknoopt, maar zodanig dat er twee lussen ontstonden waar de drager zijn armen door kon steken als bij een rugzak. Ik stond verbaasd toe te kijken hoe dat in zijn werk ging. De manlasten wogen minstens twintig kilo, terwijl de schriele mannetjes uit de kampong zelf misschien net zestig kilo wogen. De ruwe touwen waarmee de blikken aan elkaar waren geknoopt sneden diep in hun blote huid en moesten behoorlijk pijn doen. Toch klaagden ze niet, hoogstens trokken ze even een gezicht als de pijn al te gek werd. De mandoer trok en schikte dan wat aan de manlast, tot de koelie stopte met klagen.

Eindelijk vertrokken de lange stoet. Een Papoea politieman met een gids voorop, daarna mariniers. Daarachter de koelies, dan weer mariniers. De koelies waren als het ware opgesloten tussen de mariniers om ze te beletten ervan door te gaan. Als laatste een politieman die als bezemwagen fungeerde om deserterende koelies op te vangen. We trokken door hoge alang-alang velden over de heuvels rondom het Sentanimeer richting de verre blauwe beboste bergen die voor ons lagen. De hitte was enorm, het was inmiddels middag geworden en er was geen beschutting tegen de zon die onbarmhartig op ons brandde. Bovendien was het tussen de hoge grasstengels windstil zodat er ook van die kant geen verkoeling kwam. Na een tijd hoorden we luid geroep van achter dat aangaf dat er problemen waren gerezen. Verstoord gaf de sergeant opdracht halt te houden en begaf zich nijdig naar achteren.

Het bleek dat twee koelies waren bezweken door de hitte. Ze waren flauwgevallen en konden niet verder. De sergeant was woedend op de mandoer dat er nu al uitvallers waren en beval de mannen in de schaduw te leggen en water te geven. Dankbaar zegen alle koelies op de grond en namen hun last af. Ze zagen er nu al uitgewoond uit, hevig zwetend en doorgeschuurde bloedende schouders door de touwen. Nadat we een kwartiertje hadden gerust, gaf de sergeant het sein om verder te gaan. De mandoer liep nerveus rond de koelies om ze te bewegen op te staan en hun last op de schouders te nemen, hetgeen na veel moeite lukte. Zo ploeterden we door. Heuvel op, heuvel af door de alang-alang in de brandende zon die loodrecht boven ons stond en waardoor er nergens schaduw was. Ver beneden ons zagen we het glinsteren van het Sentanimeer en alleen al de gedachte aan al dat heerlijke koele water waar we niet bij konden komen maakte de stemming er niet beter op. Iedereen was blij toen we eindelijk de zoom van het oerwoud bereikten en voor de felle zon konden schuilen.

 Het bracht niet de verlichting waarop we allemaal zo hoopten. Al na een kwartier lopen langs een smal pad door het bos zonken we enkeldiep in de modder en drong de zware verstikkende lucht van verrotting in onze neuzen door. Het was er schemerdonker zodat je weinig zag, en je daardoor schaafde aan doornige lianen en voortdurend struikelde over boomwortels. De luchtvochtigheid was bijna honderd procent en zo hoog dat je kleren in een oogwenk helemaal doorweekt waren. Ik kreeg het benauwd, kreeg hoofdpijn en hapte naar lucht in die verstikkende atmosfeer. Gelukkig gaf de sergeant die zelf natuurlijk ook aan het eind van zijn Latijn was, na een poosje het sein tot stoppen en konden we wat eten en drinken. Even rust

Water werd gehaald uit een kleine kali die we vlakbij hoorde stromen, en er moest een vuur worden aangemaakt om de rijst en thee voor ons allen te koken. Daarvoor was de mandoer de aangewezen man. Het zwarte mannetje gaf opdracht aan de koelies hout te verzamelen, en legde dit naast zich neer. Ik stond ge´nteresseerd toe te kijken hoe hij het er van afbracht. Het hout was kletsnat zoals alles in dit bos, ik had er geen vertrouwen in. Maar het wonder geschiedde. Hoe hij het deed, weet ik niet maar even later brandde het vuur, grote blauwe rookwolken verspreidend die langzaam naar boven stegen door het dichte gebladerte. De ketel met water werd er boven gehangen en zodra het water kookte werd de rijst gekookt. Bij de rijst werd ook een handvol thee gegooid.

De rust was weldadig. Even rustig zitten was er wel is waar niet bij, want door de modder die enkeldiep was, kon je nergens zitten. De enkele omgevallen boomstam die er was, bleek verrot, en vergeven van ongedierte zodat we wel moesten blijven staan, maar toch... Even een strootje roken, even ontspannen kletsen met je maten en je spieren even rust gunnen. Maar na een half uurtje riep de sergeant al weer de bekende kreet van het korps;

-Omhangen en volgen!

Na de gebruikelijke strubbelingen waren ook de koelies reisvaardig en vertrokken we weer in de richting die de gids vooraan de stoet insloeg. Het pad werd steiler en steiler, tot we uiteindelijk aan een helling kwamen die zo steil was dat gewoon beklimmen niet mogelijk was. De gids stond even besluiteloos te overleggen met de politieman en sloeg toen, al hakkend met zijn parang de richting in naar links. Dat bleek het goede pad te zijn, want alhoewel het steeds naar boven ging, bleef het pad al dan niet met moeite, begaanbaar. De meesten van ons, waaronder ik, waren het stadium van ge´nteresseerd rondkijken al lang gepasseerd, en liepen met het verstand op nul, als automaten door. Het monotoon uit de zuigende modder trekken van je ene voet en het even verderop weer in de modder laten ploffen maakte je zo moe dat je alle besef van tijd en ruimte verloor.
-Halt! riep de sergeant na een paar uur, en zo moe was ik dat ik van uitputting tegen mijn voorganger aanbotste toen die stilhield.
We mochten twee slokken water drinken (waterdiscipline) en staken een strootje op. Het was inmiddels gaan regenen, alhoewel dat niet met zekerheid te zeggen was omdat je de hemel niet kon zien door het dichte bladerdak. Misschien was het al eerder gaan regenen en lekte de regen nu pas met grote druppels door de bomen. Ik draaide een strootje onder de klep van mijn pet en wist het spul op die manier droog te houden. Shag was in die tijd nog verpakt in papieren baaltjes. Plastic zakjes waren nog niet uitgevonden, zodat ik mijn shag in een blikken doosje bewaarde.

-Bloedzuigers! riep de sergeant opeens, kijk bij elkaar en verwijder ze met de punt van je sigaret! Ik keek eens om me heen. Een stukje verder stond een koelie, op zijn blote rug hingen tientallen rood/zwarte bloedzuigers ter grootte en dikte van een potlood. Een andere koelie drukte met de punt van zijn sigaret op de bloedzuiger die zich samentrok en op de grond liet vallen. Daarop werd de bloedzuiger met de parang doormidden gehakt en werd het werk voortgezet. Ik trok het dungareejasje van Kees Plug omhoog en zag tot mijn ontzetting drie van die grote beesten op zijn rug bungelen. Een was tussen de rugzak en zijn rug verpletterd tijdens het lopen en had een breed bloedspoor achtergelaten. Snel drukte ik mijn strootje tegen de andere twee griezels en verpletterde ze in de modder toen ze neergevallen waren. Daarop draaide ik me om en mijn maat haalde bij mij ook een paar bloedzuigers van mijn rug. Ik had niets gevoeld, ze doen hun werk volkomen geruisloos en gevoelloos.

Wat scherper om me heen kijkend zag ik ze als spanrupsen van overal naderen. Heel klein en dun, nog geen twee millimeter dun en dertig mm lang en roodbruin van kleur. Het spande zich eerst als een boog, trok dan het achterlijf naar het voorlijf, spande zich weer, enzovoort. Omdat ik naar beneden keek zag ik ook dat er door de vetergaten van mijn schoenen en leggings bloed sijpelde. Ik maakte de legging los, trok mijn schoen en sok uit, en zag dat zich rond mijn enkels tientallen bloedzuigers bevonden. De meesten waren na ze zich hadden volgezogen, als ballonnen geknapt door mijn loopbewegingen en hadden mijn sokken doorweekt met mijn bloed.

 -Gadverdßmme ! vloekte ik vol afschuw. Ik verwijderde de griezels, trok mijn sokken, schoenen en leggings weer aan en begon aan de andere voet. Daar was de situatie hetzelfde. Rondom me kijkend zag ik iedereen mijn voorbeeld volgen, alleen de koelies zaten gehurkt sto´cijns voor zich uit kijkend aan hun strootje te trekken, en schenen zich er niets van aan te trekken.

We vervolgden onze tocht en kwamen na een dik uur aan in een redelijk grote kampong waar zich, o hemelse vreugde, een passangrahan bevond. Dit is een vloer gemaakt van gespleten bamboe op ongeveer anderhalve meter van de grond, met een atap dak erboven. Op de vloer kun je je potje koken en slapen. Voor de meesten van ons was het een feest dat we geen baleh-baleh hoefden te bouwen. De passangrahan stond op een open plek midden in het dorp met de vlaggenmast waarin door de kepala-kampong haastig de vlag werd gehesen. Toch een stukje tropisch Holland nietwaar? Om het pleintje stonden enige hutten met bamboe wanden op palen. De daken waren van atap. (palmbladeren) Eronder scharrelden varkens en kippen. Er was ook een schooltje waar de dorpskinderen eenvoudig onderwijs kregen van een Indische goeroe (onderwijzer). Een groepje mannen zaten op hun hurken in de schaduw van een grote boom te roken en sirih te pruimen. Het zijn een soort noten die ze fijn kauwen en met kalk vermengen in hun mond. Af en toe spuwen ze een rode straal speeksel op de grond. Hun tanden en tandvlees zijn roodgekleurd, het is een vreemd gezicht. Ze leken niet ge´mponeerd door onze verschijning, noch leken ze nieuwsgierig.

Het werk wordt bijna uitsluitend door de vrouwen gedaan, zij verbouwen wat groente en fruit en baren de kinderen, terwijl de heren der schepping zich bezig houden met roken, jagen en veel kletsen. In sommige hutten brandde een vuurtje met als doel de muskieten te verdrijven. De kwalijke bijwerking was dat de meeste vrouwen en kleine kinderen oogziekten hadden van de rook. Soms lieten zich na een tijdje vrouwen zien die zich schichtig tussen de huizen voortbewogen. Ze droegen rieten rokjes tot het middel, met blote borsten. Ook kinderen doken tussen op tussen de palen waarop de huizen stonden en keken nieuwsgierig toe. Ik probeerde ze te lokken met snoepjes maar aangezien ze geen snoepjes kenden, bleef het resultaat uit. Ze waren naakt met bolle buikjes, sommigen hadden ernstige huidafwijkingen waarbij de huid voornamelijk op de armen en benen een soort grijze schubben vormt.

Broodmagere kamponghonden renden zenuwachtig blaffend in het rond. Als ze in de buurt van de mensen kwamen kregen ze een mep met de platte kant van de parang. Ze renden piepend van pijn met de staart tussen de benen tussen de huizen weg. Het rook net als in elke kampong naar houtvuurtjes waar de vrouwen de sago op koken. Dit was een welvarende kampong, getuige de kippen en varkens. Na enig onderhandelen klom er een jonge man in een klapperboom en hakte een paar kelapa moeda (jonge kokosnoten) los die met een doffe klap op de grond ploften. Nadat de kap er af was gehakt met de vlijmscherpe parang van de mandoer dronken we om beurten van de koele tintelende klappermelk. Als ze leeg waren hakte de mannen ze in stukken en wierpen dit voor de dieren op de grond. Het eerst waren de kippen erbij, maar die werden alras verjaagd door de honden die met snappende kaken naar ze hapten. Daarna braken er tussen de honden onderling felle gevechten uit om de beste stukken. Niemand greep in, het was niet belangrijk, waarschijnlijk gebeurde dit elke dag. De honden werden nooit gevoerd en moesten hun eigen kostje maar opscharrelen net als alle andere huisdieren. Het was een kabaal waar je horendol van werd. We gingen weg om ons te mandiŰn in de kali die langs de kampong stroomde. Die was niet diep, kristalhelder water stroomde over de kiezelachtige bodem richting laagland. We waren al behoorlijk in hoogte gestegen en het was al te merken aan de temperatuur die al iets koeler was dan beneden. We liepen eerst een behoorlijk eindje stroomopwaarts om onszelf te wassen, omdat de kampongbewoners ook wassen en poepen in het water. Beter is het dan om stroomopwaarts te gaan om besmetting te voorkomen.

Terug bij de passangrahan stond de pot met rijst al weer te stomen, en even later herhaalde het vaste tafereel van het eten uitdelen zich weer. Eerst de politie en wij, dan de koelies. De sergeant hakte met zijn parang pakjes zware shag van de Weduwe doormidden en deelde het uit aan de koelies. Sommigen staken meteen een pluk in hun mond en begonnen verwoed te pruimen. Tot mijn verrassing kregen we dit keer een paar sardines uit blik bij de rijst. EÚn blikje per twee man.  De volgende morgen waren we voor het krieken van de dag al op. De pot met rijst stond al weer te stomen en als ontbijt kregen we weer rijst in thee gekookt.

 PasangrahanNadat we omgehangen hadden en de koelies zacht klagend en mompelend hun zware lasten weer op zich genomen hadden, trokken we het oerwoud in. We werden nagestaard door dezelfde sto´cijnse dorpsfiguren van gisteren die hun plaats onder de grote boom niet verlaten schenen te hebben. Het had opgehouden met regenen, maar eenmaal in het oerwoud lekte alle regen van de afgelopen nacht uit de bomen. Het oerwoud was veranderd, enorme bomen met plankwortels van wel 3 meter hoog en helemaal begroeid met lianen stonden dicht opeen, zodat we er kriskras door moesten slalommen recht de helling op. We stegen nog steeds en voortgaan werd steeds moeilijker. Klimmend op handen en voeten in de taaie modder en soms weer terugglijdend, worstelden we ons naar boven. Dat ging uren zo door, en het werd zo koud dat we bij een rustpauze onze truien uit onze pack haalden en aantrokken. Met verkleumde handen haalden we de bloedzuigers bij elkaar weg, en bij onze enkels. Vreemd dat die dingen door de vetergaten van je schoenen en de naden tussen de leggings naar binnen drongen. De koelies stonden dicht opeen te bibberen van de kou, voor hen geen wollen truien en poncho,s. De koude regen striemde hun ondervoede bruine lijven en maakte ze slap en krachteloos, zodat we langer bleven staan dan de bedoeling was. De mandoer deed van alles om de trein weer in beweging te krijgen maar de fut was eruit. Hij raakte zo buiten zinnen dat hij aan de koelies begon te trekken en te duwen, zelfs te schoppen, maar ze konden of wilden niet verder. Een Papoea politieman deed zinniger dingen, hij pakte van een van de koelies die er het ergst aan toe was, bij zijn hand en begon die verwoed te masseren. Vreemd genoeg, knapte de man zienderogen op, en het voorbeeld vond navolging. Weldra stonden wel 20 koelies bij elkaar de handen te masseren, hetgeen een maat deed opmerken;

-Het lijkt wel een Nieuwjaars receptie!

Even later gingen we weer op pad en trokken verder naar boven. Naarmate we verder gingen en de top van de tjot (top van de berg) bereikten veranderde het bos steeds meer. Het werd dunner, de bomen waren kleiner, afgewisseld met reusachtige boomvarens. Er was meer ruimte, zodat hakken met de parang niet meer nodig was om ons doorgang te verschaffen. De bodem was niet langer modderig, maar vaster en bedekt met stenen. Grote plakkaten groen/bruin mos hingen druipend van de regen als vlaggen van de bomen. De hemel was bewolkt en wolken grijze koude mist joegen over het plateau dat we hadden bereikt. Vˇˇr ons zagen we de ene rij groene bergruggen na de andere, als golven op een zee. Ik was ge´mponeerd. Hoe groot was dit oerwoud wel niet! Dit was de echte wildernis waar we in trokken. En plotseling werd ik besprongen door een gevoel van angst. Nog drie weken verder lopen van de beschaving. Wat gebeurde er met je als je dan je been brak, of een blindedarm ontsteking kreeg? Het was onmogelijk om iemand op een brancard door dat oerwoud drie weken mee te sjouwen. Helikopters waren er niet in Nieuw-Guinea, en vliegtuigen kunnen niet landen in het oerwoud. Het betekende de dood of als je geluk had, een lange lijdensweg tot je weer in de geciviliseerde wereld was. Ineens was de lokroep van het avontuur in me even verstomd, en zag ik in een flits de gevaren die zo'n lange patrouille met zich mee bracht. 

Na een uurtje lopen waren we aan het eind van de hoogvlakte beland en begon de afdaling naar het dal wat voor ons lag, maar wat we door de dichte bomen niet konden zien. Dieren zagen we niet, die waren door het lawaai wat we maakten alle kanten op gevlucht. Alleen kaketoes begeleidden ons soms een eind. We wisten dat de gevaren van het oerwoud niet de grote dieren zoals krokodillen of slangen zijn, maar de kleine, zoals muskieten, wespen, spinnen, schorpioenen en meer van dat fraais. En die waren er volop. Wespen waren het ergst. Er was een soort die de angel als een soort haak, liggend op hun rug hadden. Als ze wild snerpend op je neer streken sloegen ze de haak naar voren, diep in je huid. Soms kwamen ze met hele zwermen en vooral de koelies die bijna naakt waren hadden er erg van te lijden. Als je gestoken werd brandde het als de hel, en de volgende dag had je een bult ter grootte van een kastanje die een paar dagen lang vreselijk jeukte. Miljoenenpoten, donkerbruin van kleur en wel vijf en twintig centimeter lang kropen over het pad. Volgens de sergeant waren ze giftig, zoals bijna alles in dat land. Ook slangen zagen we veel. Het waren bijna alle pythons van diverse soorten en maten, alleen de kop stak boven de modder uit zodat ze moeilijk te zien waren in het schemerdonker van het oerwoud. We waarschuwden elkaar door te roepen;

 Zo kwam de tijd dat er een kamp moest worden opgezet. We waren al weer flink gedaald, zodat het niet meer zo ijzig koud was, ook het weer was verbeterd, het regende niet meer. We hoorden de kali maar konden er niet bij komen, omdat hij door een diepe kloof stroomde. De kloof lag zeker veertig meter benden ons en de wanden waren zo steil dat aan afdalen niet te denken viel. Maar om een kamp op te slaan, heb je water nodig. We liepen we een lange tijd evenwijdig met de kloof, terwijl we het water beneden ons onbereikbaar zagen stromen. De koelies raakten uitgeput, sommigen strompelden meer dan ze liepen onder hun zware lasten en het werd hoog tijd dat we een onderkomen voor de nacht vonden, en het allerbelangrijkste; eten. Ook wij raakten aan het eind van ons uithoudingsvermogen. Met het hoofd naar beneden sjokten we door de zuigende modder en voelden ons diep ellendig. Maar stoppen kon pas als we bij dat verdomde water konden komen. Water om te drinken, thee te zetten, je veldflessen te vullen, rijst te koken en jezelf enigszins te wassen. De sergeant liep voorop vlak achter de gids, daarachter de Papoea politieman, alle drie gespitst om een pad te vinden die ons naar een kali zou brengen.

 Maar dat bleek een vrome wens, het ruisen van de kali leek wel van verder af te komen naarmate we verder liepen, het was om dol van te worden. Voor de koelies maakte het niets uit, die zouden bij het vallen van de duisternis een vuur maken. Dan zich knagend op een hand ongekookte rijst gehurkt tegen de stam van een boom laten zakken, met een groot blad van een palmboom ter beschutting tegen de regen, en slapen. De situatie werd nijpend, de kali was niet meer te horen en over een half uur zou het donker zijn, zonder noemenswaardige schemering zoals in Nederland. Waar was de kali? Die vraag hield iedereen bezig. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Ineens kwamen we op een min of meer open plek in het oerwoud waar restanten van Papoea woningen stonden. Aan de rand er van stroomde een kalme kali. Het was een verlaten kampong, later zouden we er wel meer tegenkomen. Bivak maken

Naarmate een huis langer bewoond werd, kregen de bewoners steeds meer last van ongedierte zoals ratten, mieren, termieten, wandluizen e.d. Dit kon zo ergerlijk worden dat men de huizen achterliet voor wat ze waren en ergens anders een nieuwe kampong stichtte. Daarom was het vinden van bewoonde kampongs een bijna hopeloze zaak omdat ze van het ene moment op het andere verlaten konden zijn. Hoe het ook zij, wij waren er blij mee en gingen meteen aan de slag om een baleh-baleh te bouwen voor het te donker werd. De koelies legden hun zware lasten met een zucht van verlichting neer, en maakten binnen no-time een groot vuur aan. Anderen haalden water bij de kali en zodra het kookte werd de rijst opgezet. Ik werd al handiger bij het maken van mijn baleh-baleh. Waar ik eerst zeldzame stokken zocht met een gaffelvorm, had ik nu ontdekt dat ik ook gewone rechte stokken kon gebruiken en die met een paalsteek vastzetten. Ook maakte ik in het midden van mijn baleh-baleh een extra steun waardoor hij steviger stond. Ik deelde mijn baleh-baleh met Kees als vaste slapie en doordat we goed samenwerkten schoten we flink op zodat binnen een kwartier we de zaak voor elkaar hadden.

Trots stond ik het resultaat te bekijken en wilde me met een zucht van verlichting op mijn legerstee laten zakken toen ik opzij werd getrokken door een koelie met een vlijmscherpe parang. Ik stond stijf van schrik en zag mezelf al half doormidden gehakt. Was er een opstand door de gebeurtenis van eerder die dag? Het tekende de nogal gespannen verhouding die er bestond tussen de koelies en ons. Ik wrong me los en sprong opzij, de koelie sloeg zijn parang naar beneden en hakte een enorme bruine schorpioen die op mijn slaapzeil liep in twee stukken. Als ik was gaan zitten zoals ik van plan was, was ik bovenop het beest terechtgekomen. Wat er dan was gebeurt was niet moeilijk te raden, ik had een heel erg zere kont gehad. Griezelend keek ik naar de staart van de schorpioen met de giftige angel. Wat een joekel! Ik had natuurlijk in de tijd dat ik in Nieuw-Guinea was, wel meer schorpioenen gezien, als je in de wapenkamer of de munitiebunker een kist verschoof renden er tientallen van die beesten alle kanten op, maar die waren niet zo groot als deze. Ik bedankte de koelie die trots stond te grijnzen en wilde hem een pakje sigaretten geven, maar dat wees hij af. Waar een eenvoudig man groot in kan zijn.

Inmiddels was het donker geworden, en bij het licht van het kampvuur aten we onze hap rijst met sardines. Ik rammelde van de honger door de lange dagmars en knapte helemaal op door het eten. Daarna had ik de wacht. Dat was gunstig zo vroeg op de avond, je liep wat rond de buitenkant van het kamp, keek naar de bezigheden die daar plaats vonden en voor je het wist waren de twee uur om. Daarna kroop ik in mijn baleh-baleh en viel als een blok in slaap. Toen ik 's morgens gewekt werd door de luide stem van de sergeant had ik het gevoel dat ik pas was gaan liggen. Toch was ik wel uitgerust, en toen ik mijn natte kleren weer had aangetrokken en mijn schoenen goed uitgeschud en nagekeken had op ongedierte, braken we de baleh-baleh af, en pakten onze spullen in. Het was erg belangrijk om ÚÚn stel droge kleren te hebben om in te slapen, als het eenmaal nat was kreeg je het nooit meer droog. Het was wel vervelend om 's morgens je natte kleren aan te trekken, speciaal omdat ze vaak onder het ongedierte zaten die er op af kwamen, zoals grote harige spinnen. Vooral als je 's nachts de wacht had, was het een ramp. Eerst je droge kleren uittrekken en op je baleh-baleh leggen. Daarna zorgvuldig je natte kleren in het donker uitschudden en nakijken op ongedierte. Dan je kleren aantrekken, je schoenen uitkloppen, nakijken en aantrekken en de klamboe goed sluiten. Dan was je pas klaar om de wacht over te nemen. Na je wacht, de omgekeerde volgorde.

Daarna schaarden we ons rondom de rijstpot voor thee met rooie rijst. Men had zowaar een paar pisangbomen ontdekt aan de rand van de verlaten kampong zodat we allemaal een halve pisang kregen. Ook ontdekten we enige kasbih knollen die we uitgroeven. Het zijn houtige lange wortels die geroosterd boven het kampvuur wat aan gekookte aardappels doen denken. Bij een kijkje in de hutten ontdekte ik achtergelaten kookgerij en een paar pijlen en een boog. Ik kon jammer genoeg niets meenemen, ik had al meer dan genoeg te dragen. Daarna zette de stoet zich weer in beweging, het was altijd een omslachtig gebeuren eer de koelies hun lasten hadden omgehangen en klaar waren voor vertrek. De mandoer liep nerveus rond de koelies, hier wat aantrekkend, daar wat verschuivend. Net als een voerman bij een hoog opgeladen hooiwagen. Dan zette de patrouille zich hortend en stotend in beweging. Die dag zouden we bij een kampong aankomen waar we een nieuwe gids zouden krijgen die ons verder moest loodsen. De dag verliep bijna net als de vorige, weer steil omhoog naar de top van de tjot, en vervolgens weer een lange afdaling tot aan het dal waar de kampong en de kali waren. Het was een straatarme kampong. Geen varkens, geen kippen, zelfs bijna geen honden. Dit keer ook geen passangrahan, dus moesten we zelf onze baleh-baleh bouwen waarbij we veel bekijks hadden van de plaatselijke jeugd die eerst schuw vanaf een afstandje stonden toe te kijken, maar allengs vrijer werden. Ook stonden de huizen van deze kampong Kampong bewonersniet op palen, maar stonden op de grond. Het waren primitieve slordige bouwsels.

Het eerste snoepje werd uitgedeeld, het is altijd prachtig als je een kind gadeslaat die voor het eerst van zijn of haar leven een snoepje proeft. Eerst wat onwennig kauwend, maar al snel genietend zuigen met grote rollende bruine ogen en verlegen blikken. Toen het ijs gebroken was, begon het uitdagen. Ik deed net of ik ze wilde pakken, gillend renden ze weg en verscholen zich met glimmende ogen tussen de hutten van de kampong. Langzaam kwamen ze giechelend weer dichterbij, de waaghalzen vooraan, de anderen daarachter. Weer een uitval, weer wegvluchten en het spelletje begon weer overnieuw. Toch had ik ze op een gegeven moment zover dat ze rustig bij me zaten en alles bekeken en betasten. Alles was nieuw voor ze. Mijn uitrusting, karabijn, veldflessen en rugzak. Maar de meeste interesse hadden ze toch in onszelf. Onze reuzengestalten (volwassen papoea,s uit het binnenland zijn niet groter dan anderhalve meter), onze witte huid, en dingen als schoenen en kleren waren een voortdurende bron van verbazing en veroorzaakte opgewonden gepraat en gelach.

 De volgende morgen regende het zo hard dat je door het watergordijn dat neerviel, niet verder dan tien meter ver kon kijken. Het dorpsplein veranderde in een meer waar de mensen moeizaam doorheen baggerden. Ik bleef net zo lang liggen tot ik de sergeant hoorde roepen op te staan en kwam toen onwillig overeind. Wat nu? Zodra je je hoofd vanonder het tentzeil uitstak, was je meteen doorweekt. Het brullen van de sergeant werd luider en ongeduldiger, dus haast was geboden. Liggend op mijn slaapzeil trok ik mijn kleren uit, legde ze neer en ging naakt naar buiten in de regen om mijn kleren aan te trekken die aan een boomtak hingen. Ai, dat was fris! Ik wrong de kleren zoveel mogelijk uit en kleedde me aan. Gelukkig stonden mijn schoenen omgekeerd op stokjes bij het kampvuur(dat uitgeregend was) dus de regen was er niet ingelopen. Daarna sloopten Kees en ik heel voorzichtig en weloverwogen de baleh-baleh, ervoor zorgend dat we het tentzeil als laatste weghaalden. Het viel mee, en ik was trots op mezelf dat alles min of meer droog in mijn pack gestouwd was. Alleen het tentzeil was natuurlijk kletsnat, maar dat vormde de buitenste "schil" van de rol die hoefijzervormig om mijn pack gebonden was. In die rol zaten verder de klamboe, slaapzeil en de poncho.

 

Volgende hoofdstuk
Copyright ę E.Schurink .Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,fotokopie, microfilm, internet of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming door E.Schurink.